Broeder Tanoh evangeliseert Galicië

Buitenlandse priesters proberen het geloof in Spanje terug te brengen. Een niet-Europese paus helpt, vertelt de Ivoriaan Desiré Tanoh.

Pater Tanoh is populair op het platteland van Galicië: gelovigen begonnen een handtekeningenactie om hem te behouden. Foto Merijn de Waal

In het koude kerkje vormt de adem van Desiré Tanoh kleine wolkjes als hij zijn zegen uitspreekt over de miswijn en hostie. De gelovigen die naar hem toe schuifelen, houden de winterjassen stevig dichtgeknoopt. Hun paraplu’s bungelen aan de kerkbankjes, terwijl buiten een harde wind slagregens tegen de eeuwenoude muren jaagt.

Voor Desiré Tanoh is niet alleen het weer vreemd in Galicië, het regenachtige noordwesten van Spanje. De jonge priester uit Ivoorkust bedient hier sinds begin 2006 vijf parochies op het snel vergrijzende en ontvolkende platteland.

„Het is moeilijk werken hier, moeilijker dan in Afrika”, vertelt hij als hij op een zondagochtend in zijn rode Hyundai van het ene naar het andere gehucht scheurt. „Het geloof in Europa is ingeslapen. Mensen geloven omdat dat nu eenmaal zo hoort, uit angst, uit routine. Maar ze beleven het niet uit liefde voor God. De vrolijkheid is verloren gegaan.”

Zijn parochies liggen tussen de pelgrimsstad Santiago de Compostela en Finisterra, ‘het einde van de wereld’ totdat de Amerika’s werden ontdekt. Bij de kerstening van die Nieuwe Wereld speelde Spanje een hoofdrol. Maar nu is het zelf een missiegebied geworden.

Tanoh maakt deel uit van het groeiende legertje buitenlandse geestelijken in Spanje. Steeds minder jonge Spanjaarden voelen een religieuze roeping. Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse priesters worden ingeschakeld om parochies open te houden. En ook in kloosters bestaat de nieuwe aanwas bijna geheel uit buitenlandse nonnen en broeders.

De vorig maand teruggetreden paus Benedictus XVI noemde westerse landen als Spanje een „verwoeste wijngaard”. Het is mede aan de nieuwe paus Franciscus I deze trend te keren. Maar hoe?

Tanoh vindt dat Europa bovenal vergeten is dat de mis een ‘viering’ is. „De eucharistie is een mysterie, maar dat wordt niet zo ervaren en ook niet zo overgebracht door veel priesters. De mis dreigt hier een hol ritueel te worden”, vertelt hij, stapvoets rijdend omdat een boerenknecht een kudde vee de weg over leidt. „Neem nou deze jongen hier. Zijn moeder komt naar de mis. Hem heb ik nog nooit gezien. Als hem iets overkomt, wil zijn familie wel een begrafenis voor de kerk. Waarom eigenlijk?”

Volgens Tanoh staat het geloof in Europa op de automatische piloot. Om zijn parochianen hier uit te halen, ontregelt hij hen graag. Toen hij net was aangekomen, vroeg hij waarom ze eigenlijk naar de mis gingen.

„Dan zeiden ze: ‘omdat U anders voor niets komt’, ‘omdat we anders zondig zijn’, ‘omdat het een gebruik is’. ‘Maar dát is toch niet de reden’, zei ik dan. ‘We zijn hier omdat we een afspraak hebben, met God.’”

Hij wil ook graag dat gelovigen meehelpen, zingen, actief bij de mis betrokken zijn. Deze zondag leest hij uit het Evangelie volgens Lucas de parabel van de verloren zoon voor. Vervolgens loopt hij vanachter het altaar weg en gaat tussen de voorste bankjes staan. „Wat leert dit verhaal ons”, vraagt hij, druk met zijn armen zwaaiend. Eerst geeft niemand antwoord, maar na aandringen ontspint zich een gesprek over jaloezie, broederliefde en ouderschap.

Veel gelovigen moesten aan hem wennen, zegt Tanoh. „Ze dachten dat ik gek was.” Maar inmiddels is de nieuwe padre geliefd. „Ik vind hem prettig. Hij laat je alles beter begrijpen. En wij kunnen nog veel leren”, zegt een oudere weduwe. „Wij waren gewend aan missen van hooguit een half uur”, vertelt Sandra, een jonge kerkgangster. „Desiré maakt daar een uur van. Dit uur is wel minder saai, maar sommigen vinden het wel heel lang.” En de 18-jarige Ana, die helpt als misdienaar, noemt de mis „gezelliger”.

Toen het bisdom enkele jaren terug een van Tanohs parochies onder een andere priester wilde indelen, kwamen de gelovigen in opstand. Ze begonnen met succes een handtekeningenactie om hem te behouden. Hij zelf zou op den duur graag terugwillen naar Afrika, als missionaris in het ontwikkelingswerk. „Maar de bisschop houdt me voorlopig hier. Wie gaat er anders deze kleine en afgelegen parochies doen?”

Ook zijn collega’s hebben geen keus: ze móeten blijven werken. Zo bedient Dositeo Valdiñas op 92-jarige leeftijd nog twee parochies. Hij ging op zijn elfde naar het seminarie, leidt sinds 1944 deze parochies en had 17 jaar geleden met pensioen gemogen. „Als ik stop, is er waarschijnlijk niemand om me op te volgen en worden mijn parochies bij een ander ondergebracht”, vertelt hij in zijn woning in Ribadumia, een dorp zuidelijker in Galicië. Hij geldt in de regio al decennia als een van de progressievere geestelijken. Om het priestertekort tegen te gaan pleit hij er openlijk voor te overwegen het priesterambt open te stellen voor vrouwen. Of de gelofte van celibaat af te zwakken tot vrijwillig celibaat.

Valdiñas ziet dat het geloof in Azië en Afrika een enorme impuls geeft, terwijl het „in Europa in slaap gesukkeld is”. De mis, zegt hij, moet in dienst staan van de gelovigen. Valdiñas begon daarom al onder dictator Franco de mis deels in het Galicisch op te dragen, de spreektaal op het platteland. Dit terwijl het regime regionale talen juist onderdrukte. „Daar werd ik wel op aangekeken.”

Volgens Tanoh is niet de vraag of de mis nu in het Spaans, Galicisch of Latijn wordt opgedragen. „De liefde van God moet de universele taal van onze kerk zijn.” Noch het atheïsme bedreigt het geloof, noch liberale wetten over abortus of het homohuwelijk, meent hij. „Onverschilligheid is het grote gevaar. Het geloof wordt niet geleefd, er wordt geen persoonlijke relatie met Jezus ervaren.”