Wil je er nog gratis blauwe klodders bij?

Als dure kunst goed verkoopt, zegt dat nog niets over de kwaliteit ervan, betoogt filosoof Coen Simon.

Foto Hollandse Hoogte

Feelgoodfilmhit Intouchables is de gedroomde ontmoeting tussen hoge en lage cultuur. Althans, gezien vanuit het highbrowperspectief van de hoge cultuur. De lichamelijk gehandicapte blanke miljonair Philippe krijgt de louche Senegalees Driss als persoonlijk verzorger. Als hij nog maar net in dienst is, begeleidt Driss de kunst verzamelende Philippe naar een galerie. Samen bekijken ze een wit doek met rode spetters. Als de galerist de prijs noemt („Dertigduizend euro denk ik, maar ik moet het controleren”) valt Driss’ mond open van verbazing: „Je gaat die rotzooi toch niet kopen. Dat kan niet, dertigduizend euro voor een bloedneus.”

Philippe leert hem de eerste les over de hoge cultuur: „Zeg eens Driss, waarom interesseren mensen zich voor de kunst?” Voor het geld, denkt Driss. „Nee”, antwoord Philippe, „Het is het enige spoor van onze doortocht op aarde.”

Driss is niet overtuigd: „Voor vijftig euro maak ik voor jouw een spoor van mijn doortocht. Ik doe er zelfs wat blauw bij.”

Het lijkt een wat clichématige tegenstelling tussen kunstpaus en cultuurbarbaar. Maar zodra dit verhaallijntje verder wordt uitgerold wordt de kijker toch voor de intrigerende vraag gesteld: wie of wat bepaalt de waarde van een kunstwerk? Een vraag die ook door mijn hoofd speelde toen ik vorige week het NOS-nieuwsbericht ‘Dure kunst verkoopt goed op Tefaf’ las. En eveneens toen vlak daarna bekend werd dat een geschilderd portret van Rembrandt na onderzoek niet van een leerling bleek maar van de meester zelf, waarmee het ineens een geschatte waarde kreeg van 23 miljoen euro.

Tussen de bedrijven door zien we in Intouchables dat Driss het er inderdaad zelf ook eens op waagt. En waarom ook niet, als rode spetters al duizenden euro’s opleveren? Met een paar blikken Histor kozijnverf, wat kwasten en een verfroller gaat hij driftig het witte doek te lijf. De highbrowkijker weet dat de verfroller refereert aan de beruchte restauratie van Barnett Newmans Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue III na diens vernieling in 1986. En alle rumoer rond deze vernieling en restauratie maakte dit abstract-expressionistische werk tot een icoon van de crisis in de kunst. Voor wie wordt kunst eigenlijk gemaakt? Wat heeft het nog met ambacht te maken ‘als mijn kleine zusje het ook kan’? Of, wat intellectueler: wat kan er na zoveel abstractie nog voor vernieuwends worden gedaan in de kunst? Is er na de conceptuele en abstracte kunst sprake van het zogenaamde ‘einde van de kunst’?

Je zou het misschien niet zeggen, maar al dit soort vragen speelt mee in de waardering van een kunstwerk. Een waardering die is opgebouwd door uiteenlopende waarden, van gevoelswaarde en kunsthistorische waarde tot marktwaarde. En alle zijn ze even moeilijk te peilen.

In het essay Rembrandt en de Brillo-doos uit 2002 laat filosoof en historicus Frank Ankersmit zien dat kunst aan het begin van de twintigste eeuw een fundamentele gedaanteverandering heeft ondergaan. Tot die tijd beoogden alle schilders „in hun schilderkunst een zo succesvol mogelijke illusie van de werkelijkheid te geven.” Maar door Warhols Brillo-doos, Duchamps urinoirs, flessenrekken en fietszadels kon alles kunst kon zijn, en is kunst een onderdeel geworden van de filosofie. „Aan de objecten zelf kun je dat verschil niet meer zien”, schrijft Ankersmit. „Juist zoals Hegel zei is de hedendaagse kunst daarmee vooral een filosofische reflectie op kunst geworden: de periode van penseel, terpentijn en schildersezel is voorbij en de periode van het woord en de theorie is aangebroken in de kunst.”

Maar met deze verandering kwam de betekenis van de kunst niet alleen in handen van het woord, maar ook in die van het geld. Waar het criterium voor de waarde van een kunstwerk eerst vooral lag in de meest geslaagde „illusie van de werkelijkheid”, volgde de prijs de waarde nog enigszins – aangezien de waarde via de representatie aan de harde realiteit gekoppeld bleef. Maar sinds kunst zijn waarde ontleent aan het praten en theoretiseren over kunst, volgt steeds vaker de waarde ook de prijs. Want niet alleen filosofen praten over kunst. Sterker nog, als je ziet wat een geld er in omgaat (43 miljard vorig jaar), mogen we aannemen dat er meer investeerders en economen dan filosofen over kunst praten.

„Wat is dít?” vraagt Driss met verbaasde grijns als hij van Philippe aan het eind van de film een dikke enveloppe met geld krijgt. „Jouw waarde op de kunstmarkt”, antwoordt Philippe. „Ik kreeg er elfduizend euro voor. Ga ermee door. Je hebt talent.”

De rollen zijn omgedraaid nu geld de waarde van Driss’ kunstwerk heeft bepaald. En Driss knoopt er meteen een filosofietje aan vast: „Ik voelde het direct, het gebeurde gevoelsmatig, terwijl de muziek speelde, was er een soort mix, het was een openbaring, alsof ik het licht zag.”

„Laat je niet meeslepen”, sust Philippe – hij vertelt er niet bij dat hij zijn autoriteit als kunsthandelaar heeft misbruikt om de waarde van het werk door de economie en niet door de stijl te laten bepalen.

Coen Simon is auteur van Schuldgevoel. Over de behoefte aan dingen die we niet nodig hebben het essay van de Maand van de Filosofie dat deze week verschijnt.