We hebben meer Batmannen nodig

We leven sinds Fortuyn in een politiek tweestromenland, meent Thijs Kleinpaste. „Eigenlijk is mijn boek een soort sluitstuk van die strijd.”

Een paar weken geleden hoorde historicus Thijs Kleinpaste een „extreem cynisch” nieuwsbericht op de radio. Het nieuws: een jonge generatie accountants en advocaten op de Zuidas raakt gedemotiveerd omdat aan de top gegraaid wordt. „Ik dacht in eerste instantie: wow, een jonge generatie komt in opstand tegen de zelfverrijking in de financiële sector.” Maar nee, toen bleek dat ze boos waren omdat ze steeds vaker hun eigen bonus moeten inleveren, terwijl ze de top van de bedrijven met vorstelijke bedragen naar huis zien gaan. „Deze jongeren zijn niet boos omdat er gegraaid wordt, maar omdat zij niet evenveel kunnen graaien als de rest. Het is onze tijd in een notedop. We komen pas in opstand als we niet hetzelfde krijgen als de ander.”

Kleinpaste debuteerde deze maand met een indrukwekkend politiek-filosofisch boek: Nederland als vervlogen droom. Daarin trekt hij enkele opmerkelijke conclusies over zijn tijd. De twee belangrijkste politieke projecten van het moment – de terugkeer naar de natiestaat en de droom van een verenigd Europa – zijn slechts achterhoedegevechten. De politiek van de 21ste eeuw is lokaal en individualistisch.

Je noemt dit boek je ‘politieke coming of age’. Wat moet ik me daarbij voorstellen?

„Ik ben van de generatie die als tiener de opkomst van Fortuyn heeft meegemaakt en politiek bewust werd in de jaren na zijn dood. De vragen die Fortuyn opwierp bepalen tot op de dag van vandaag het politieke debat in Nederland. Nog steeds zien we een strijd tussen twee dominante stromingen: aan de ene kant het Paarse gedachtegoed: pro-Europees, kosmopolitisch, multicultureel. En aan de andere kant nieuwrechts, dat nationalistisch is en conservatief. Eigenlijk is dit boek een soort sluitstuk van die strijd. Ik probeer ermee een weg te vinden uit de verwarring die bij Fortuyn is begonnen, vaste grond onder mijn voeten te krijgen.”

Je schrijft in je boek dat zowel de idealen van Paars als nieuwrechts niet bestand zijn tegen de ‘radicaal individualistische’ 21ste eeuw. Is dat die vaste grond waarnaar je op zoek was?

„In zekere zin wel. Paars en nieuwrechts hebben een belangrijke overeenkomst: beide zien een collectieve beweging als uitgangspunt voor het ordenen van het publieke domein. Maar ik denk dat dat niet langer mogelijk is. De geïndividualiseerde westerling heeft genoeg van alles wat met het collectief te maken heeft. De Franse denker Pierre Rosanvallon zegt dat we in een tijd leven waarin burgers alleen nog aangeven wat ze niet willen, in plaats van wat ze wel willen. Het is volgens hem in onze geïndividualiseerde samenleving bijna onmogelijk geworden om volksmassa’s te verenigen achter grote banieren, zoals het nationalisme van de Fortuynisten of het Europa van Paars. Makkelijker is om mensen te mobiliseren tegen iets wat ze niet willen, zoals belastingverhoging, geld geven aan de Grieken of regeltjes op de Wallen.”

En het is radicaal individualistisch om tegen regeltjes op de Wallen te zijn?

„Ja, radicaal individualisme wil zeggen dat alles wat de individuele vrijheid beperkt, wordt gewantrouwd. Dus zie je in het publieke domein een enorm ongeduld met de instituten van de traditionele twintigste-eeuwse macht: de vakbond, de overheid, de staat. Die staan de individuele vrijheid alleen maar in de weg, omdat ze te hoge belastingen opleggen, verstikkende regeltjes maken, betuttelend beleid bedenken. Daarnaast willen we wel dat de gemeenschap er is, maar vooral voor onszelf. Solidariteit leggen we alleen de ander op. Dus toen het kabinet voorstelde de zorgpremie inkomensafhankelijk te maken om de zorg betaalbaar te houden, kwam er een kiezersrevolte.”

Terug naar Fortuyn. Waar bestond de ‘verwarring’ uit die hij heeft achtergelaten?

„Het grote trauma van het islamdebat dat door Fortuyn werd aangezwengeld, is dat we het niet eens konden worden over onze gedeelde waarden. Het ging eigenlijk helemaal niet over de moslims en wat er niet aan hen deugde, het ging over onszelf. Toen een aantal mensen begon over Nederlandse normen en waarden en een strenger immigratiebeleid, bleek ineens dat er geen overeenstemming was over wat dan precies die Nederlandse waarden waren. Dat verwart nog steeds.”

En je ziet de opkomst van het nationalisme als logisch gevolg van die verwarring?

„Jazeker. Het nationalisme leeft op omdat we heimwee hebben. Het is de heimwee naar iets wat allang verloren is gegaan. Je hoort conservatieve denkers nu schermen met de natiestaat. Maar wat zij niet begrijpen is dat de droom van de natiestaat morsdood is. Nationalisme, de ideologie van de natiestaat, is in ultimo een massabeweging. Het gaat ervan uit dat je als individueel mens opgaat in het grotere lichaam van de hele natie. Dat is onhoudbaar in deze individualistische samenleving.”

Politiek bedrijven is opkomen voor een gedeeld ideaal. Hoe is dat nog mogelijk in een extreem geïndividualiseerde tijd?

„Dat is de grote tragedie van onze tijd: we voelen steeds minder verwantschap met grote groepen mensen om ons heen en tegelijkertijd hebben we die grotere wereld nodig om het leven op kleine schaal te beschermen. We hebben een slagvaardig Europa nodig om capriolen van banken en economische stormen te kunnen weerstaan. Maar dan moeten we Europa wel beter legitimeren. Het zou al helpen om meer lokale vertegenwoordigers naar Brussel te sturen die het vertrouwen van hun lokale gemeenschap hebben. We moeten ermee rekening houden dat het beangstigend kan zijn om steeds minder deel uit te maken van een collectief: als minderheid heb je al snel het gevoel dat anderen het op je hebben gemunt.”

Niet echt een optimistische boodschap.

„Inderdaad, maar er is nog wel ruimte voor idealisme. Je ziet alleen dat het zich steeds kleinschaliger manifesteert. De idealisten van onze generatie gaan niet werken bij de VN, Europa of een NGO, maar ze beginnen een winkel in eerlijk voedsel of openen een website waarop je kleding kunt ruilen. Van die kleinschalige initiatieven, dat praktische idealisme, zullen we het moeten hebben.”

Wat betekent dit alles voor de politiek?

„Ik denk dat we in kleinere groepen nog wel een collectief belang en ook een collectieve identiteit kunnen vinden. Steden, wijken, maar ook minderheidsgroeperingen hebben zo’n sterke eigen identiteit. We zouden naar een systeem toe moeten waarin dat plaatselijke of minderheidsbelang beter vertegenwoordigd wordt. En dat houdt bijvoorbeeld in dat het plaatselijke gezag meer voor het zeggen krijgt. Amsterdammers hebben een ander wereldbeeld dan mensen uit Staphorst. Veel landen hebben een districtenstelsel waarbij lokale afgevaardigden gekozen worden voor het parlement. Wat me bevalt is het idee dat je lokale helden afvaardigt naar hogere bestuurslagen, omdat ze het vertrouwen hebben gewonnen van de burgers. Het is net Batman – ook zo’n lokale held die de belangen van zijn stad dient.”

Je voelt jezelf als deelraadslid wel een beetje als Batman?

„Nee, ik ben lang niet zo cool als Batman! Maar je zou eigenlijk in elke stad een Batman nodig hebben. Een lokale held, die opkomt voor zijn medestadsbewoners.”