Toonbeeld van welvoeglijkheid

De onberispelijke tv-presentator Herman Emmink presenteerde Wie van de drie en zong de klassieker Tulpen uit Amsterdam.

Emmink, 1978 Foto Beeld en Geluid

Herman Emmink was de belichaming van het traditionele AVRO-fatsoen, de gastheer die zijn publiek een prettig samenzijn wilde bezorgen – onberispelijk, welgemanierd, goedlachs en ook in zijn woordkeus een toonbeeld van welvoeglijkheid.

In het tv-spelletje Wie van de drie , dat hij elf jaar lang presenteerde, wist hij zelfs de homo-erotisch getinte dubbelzinnigheden van panellid Albert Mol zodanig te incasseren dat geen mens – en zeker geen AVRO-lid – er aanstoot aan kon nemen. En daarnaast was hij de zanger van Tulpen uit Amsterdam, een van de klassieke nummers uit de vaderlandse amusementsgeschiedenis. Maandag is hij, 86 jaar oud, overleden.

Na zijn schooltijd wilde de jonge Emmink radio-omroeper worden – kort na de oorlog, toen de stemmen van de radio nog de glamour uitstraalden van een wereld die voor gewone burgers onbereikbaar was. Hij kwam in 1954 bij de VARA en twee jaar later bij de AVRO. Emmink presenteerde twee hoekstenen van de AVRO-programmering: de zondagse radioshow Muzikaal onthaal (1965-1982) en Wie van de drie (1971-1982). Later werkte hij voor de TROS en de Wereldomroep, en hij was betrokken bij de oprichting van MAX.

In de jaren vijftig was hij ook liedjeszanger. Tulpen uit Amsterdam, een uit het Duits vertaald nummer, werd hem in 1957 door de platenmaatschappij voorgesteld nadat eerdere platen geen succes waren. Hij zong wel het refrein, maar wenste zich niet aan het couplet te wagen: „Dat was zoiets kreupels, dat sloeg werkelijk nergens op”. Het la-la-la van een koortje vulde toen de coupletten op.

Emmink kreeg de bijnaam „de tulpebol” en bleef voor eeuwig met het lied verbonden. Zijn reactie, in deze krant, luidde blijmoedig: „Ze kunnen na 35 jaar beter één liedje van je onthouden hebben dan dat ze er 35 andere hebben vergeten”. En als men hem zei dat er uit Amsterdam geen tulpen komen, antwoordde hij: „Ze worden er wél uit de parken gejat als ze daar groeien”.