Door eeuwige reislust gedreven

Aya Zikken reisde tot op hoge leeftijd de wereld rond en deed daarvan verslag in boeken die het midden hielden tussen reisverslag en roman.

Aya Zikken in 1958

In 1980 keerde schrijfster Aya Zikken terug naar het Indonesische dorp van haar jeugd, Lahat op Zuid-Sumatra. Daar vond ze het oude huis waar haar bekendste boek zich afspeelt, De atlasvlinder (1958). In dit ‘junglegat’, zoals ze Lahat noemde, beleefde ze als blank meisje avonturen in de wildernis.

Afgelopen vrijdagavond 22 maart is Aya Zikken op 93-jarige leeftijd in haar Drentse woonplaats Norg overleden. Juist die middag vond in Den Haag de presentatie plaats van de omvangrijke biografie van haar leven met de toepasselijke titel Alles is voor even. Het bewogen schrijversleven van Aya Zikken door Kees Ruys.

Aya Zikken werd op 21 september 1919 in het Gelderse Epe geboren. Haar vader kreeg in 1926 een aanstelling als onderwijzer in Nederlands-Indië. Eerst op Java, daarna op Sumatra. Het was gebruikelijk in de koloniale tijd dat ambtenaren veelvuldig van standplaats wisselden. Dat overkwam ook het gezin Zikken. Later besefte Aya Zikken dat door deze ingrijpende verhuizingen de kiem is gelegd voor haar drang om te schrijven: vanaf haar vijftiende legde ze alles vast in dagboeken. Het telkens verhuizen viel haar zwaar. Van haar vader leerde ze zich nooit te hechten aan mensen of aan plekken. Aan biograaf Ruys liet ze weten: „Als iemand me zou vragen wat mijn jeugd in Indië vooral met me gedaan heeft, zou ik zeggen: Indië heeft een afstandelijk mens van me gemaakt, iemand die niet langer in iets blijvends kan geloven. (-) Als niets kan wortelen, is alles tijdelijk.”

Waarin Zikken wel geloofde is het schrijverschap, waarvoor ze in 1997 werd bekroond met de Anna Bijns Prijs. Haar oeuvre omvat ruim dertig titels. Na het Indische verhuizen kwam het gepassioneerde reizen en schrijven: tot op hoge leeftijd trok ze de wereld rond, met het accent op Azië, vaak in gezelschap van haar dochter Jolita Postema (1945). In boeken als Landing op Kalabahi (1996) en De tuinen van Tuan Allah (1998) deed ze hiervan verslag. Ze ontwikkelde een eigen genre, een mengvorm tussen roman en reisverhaal. Haar reisboeken zijn nooit zomaar reisverhalen, telkens is er de weerklank van dat voorbije Indië en de pogingen te onderzoeken wat afstand in tijd en ruimte met iemand doet. Ter gelegenheid van de Anna Bijns Prijs zei ze in een interview met deze krant: „Als ik te lang op een plek woon, dan denk ik: ‘Het wordt tijd te gaan.’ Dat is het Indische aan me. Enerzijds het verlangen me te hechten, anderzijds het niet te kunnen.”