Waarom een failliet Cyprus wél goed kan zijn Dan ziet iedereen dat het de eurozone menens is

Economisch commentator

Kunnen we zonder Cyprus?

Gisteravond laat was er nog druk overleg over Cyprus en zijn plek in de eurozone. Het eiland verkeerde volgens diverse analisten in de ‘binaire fase’: het wordt 1 of het wordt 0. En niets er tussenin. Dus of vol in de eurozone, en een einde aan het economisch model dat rust op wat de Franse minister van Financiën dit weekeinde nog een „casino-economie op de rand van het bankroet” noemde. Of er uit, en aan zichzelf overgeleverd.

De ongemeen harde opstelling van vooral Duitsland, dat in deze kwestie zonder twijfel de dienst uitmaakt, veronderstelt dat Berlijn bereid is te gokken dat de val van Cyprus geen ramp zal zijn. De vraag is of dat inderdaad zo is.

In economische zin is er geen probleem: de Cypriotische economie is miniem en maakt slechts 0,15 procent uit van dat van de gehele eurozone. Het bruto binnenlands product laat zich vergelijken met dat van de provincie Friesland of, om het buiten de eurozone te zoeken, dat van Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh.

Financieel is Cyprus veel groter, hetgeen ook de hele oorzaak is van het probleem. Volgens de laatste gegevens van het International Institute of Finance, (de internationale denktank van de banken), is het balanstotaal van alle Cypriotische banken samen gelijk aan zeven maal de economie. Dat is verhoudingsgewijs extreem hoog, maar bedenk dat het in absolute zin nog steeds kleiner is dan dat van het onlangs door de Nederlandse staat genationaliseerde SNS Reaal.

Van een kettingreactie via de bancaire sector hoeft in theorie dan ook geen sprake te zijn als Cyprus door de rest van de eurozone aan zijn lot wordt overgelaten. Mogelijke besmetting loopt vooral via Griekse banken, die door vijf jaar eurocrisis toch al zijn afgesneden van de rest van Europa. Ze liggen al lang en breed aan het infuus van de Europese Centrale Bank.

Dat betekent niet dat er geen andere besmettingshaarden zijn. Het laten bloeden van depositohouders, zeker in de eerste versie van het reddingsplan, waarin ook spaarders onder de 100.000 euro 6,75 procent zouden kwijtraken, kan spaarders in andere potentiële probleemlanden nerveus maken. Er is hier een belofte gebroken. En ook al is Cyprus een geval apart, er is wel een precedent geschapen. Dat geldt overigens ook als Cyprus wél wordt gered.

Met name Duitsland moet zich gesterkt hebben gevoeld door de reactie van de financiële markten in de afgelopen week. Terwijl iedereen, van het Bundeskanzeleramt in Berlijn tot de dealingrooms in de Londense City, zich vorige week maandag schrap zette voor de onvermijdelijke storm op de beurzen, waaide er die ochtend tot ieders verrassing slechts een licht briesje. Aandelen daalden afgelopen week miniem, de euro werd wat zwakker – een ontwikkeling die overigens evengoed kan worden toegejuicht. En de rentes die zuidelijke eurolanden op hun staatsschuld betalen, en waarvan de stijging de afgelopen jaren een betrouwbare indicator was van stress in de eurozone, daalde per saldo zelfs. Met andere woorden: niemand op de markten leek een zier te geven om het lot van Cyprus. Het kan verklaren dat de opstelling tegenover het eiland gedurende de week alleen maar verhardde.

Het vertrouwenseffect van de kwestie Cyprus zou zelfs kunnen worden omgedraaid: het sceptische publiek in het noorden van de eurozone ziet dat het menens is, dat het getalm en gechicaneer in een probleemland niet langer wordt geslikt en er een duidelijke streep in het zand wordt getrokken: tot hier en niet verder. De ironie wil dat er een voorbeeld nodig was, en dat Cyprus daar klein en onschadelijk genoeg voor is. Zo bezien zou de hele kwestie even goed kunnen bijdragen tot een terugkeer van het vertrouwen in een oplossing van de eurocrisis.

Dat wil niet zeggen dat een val van Cyprus per definitie zonder complicaties blijft. Er zijn grotere, geopolitieke overwegingen die mee spelen en wellicht belangrijker blijken dan de economische en financiële voors en tegens. En bovendien blijven we te maken houden met de financiële markten, die de onhebbelijke eigenschap hebben voor nare verrassingen te zorgen. Want de zaken kunnen, diep in de krochten van het financiële systeem toch anders liggen, en een Zwarte Zwaan is nooit ver weg. De Amerikaanse regering dacht in 2008 de zakenbank Lehman Brothers wel failliet te kunnen laten gaan, als voorbeeld voor de anderen. We weten inmiddels wat daar van kwam.