Verrassingen in de Nacht Poëzie

De 31ste Nacht van de Poëzie had aarzelende debutanten en trefzekere mastodonten. En een verrassende act van een illusionist met naalden.

„Er mag geklapt worden”, zegt Bernard Wesseling tegen zijn doodstille publiek. „Je zit tenslotte weken op zo’n gedicht.” Het was onduidelijk of de stilte gewijd, gedienstig of gereserveerd bedoeld was, op de 31ste Nacht van de Poëzie, zaterdagavond in het futuristische Media Plaza in de Utrechtse Jaarbeurs. Aan de kwaliteit van de jonge Wesseling, die direct na de opening van Ellen Deckwitz voordroeg, lag het niet: beiden toonden zich bij uitstek podiumdichters, Wesseling met zijn volkse dictie en gedichten die het „goed doen in kroegen” en Poetry Slam-kampioen Deckwitz is een meeslepend verteller.

Misschien wachtten de toeschouwers in de arenavormige ‘totaal witte kamer’, zoals de hoofdzaal naar Gerrit Kouwenaar heette, op de grote namen. De line-up was naar goed gebruik onbekend, dus of Leo Vroman en Tom Lanoye al rond achten zouden voordragen of pas tegen drieën de Nacht afsloten, was ongewis.

Het eerste grote applaus was voor Toon Tellegen, die met het Wisselend Toonkwintet van Corrie van Binsbergen een tamelijk briljant optreden neerzette, met lichtvoetige filosofieën en bizar taalspel. („Morgen wordt het grillig en ongewoon weer”, dichtte Tellegen: „de hond schijnt!”) Tellegen en de zijnen „vermorzelden de witte alledaagsheid” van de taal, om een eigen formulering te lenen. En het bood de gehoopte ‘Tellegen-Erlebnis’, zoals presentator Ester Naomi Perquin het treffend noemde.

Zo volgden er meer mastodonten: Cees Nooteboom – in Perquins inleidende woorden „een literaire berg” – declameerde en Allard Schröder debuteerde, want nooit eerder las hij publiekelijk een gedicht voor.

Het drukst werd het evenwel bij zangeres Wende, die een sneak preview gaf van haar aanstaande clubtour. Zij zong nummers waarin de muziek gedienstig was aan de tekst, die ze expressief voordroeg. Ook een eigen gedicht, zonder muziek, bleef goed overeind. „Als een grote boom omvalt komt er ruimte voor kleintjes”, dichtte ze over het „licht waarin zij voorheen niet mochten staan”. De Nacht werd het spannendst waar het verrassing bood: nieuwe dichters en nieuwe vormen. De verrassing zat hem niet alleen in de geinige act van illusionist Ramana, die zijn tong spieste en naalden slikte, maar vooral in het muzikale absurdisme van performer Bernhard Christiansen en pianiste Ariadne Verstegen. Zij waren met hun optreden overtuigend bezig de kleine zaal te ontgroeien.

Voor de jonge Kira Wuck, kersvers winnaar van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, leek het minder vanzelfsprekend: ze slikte soms een woord in. Charlotte Mutsaers pakte de zaal met minder moeite in, onder andere met een geestige Mulisch-typering: „Ik lepel soep, het liefst met een vork.” Zij bewees dat sommige dichters eeuwig oud en anderen eeuwig jong blijven.