Op zoek naar de nieuwe Epke

Een Britse bondscoach wil het Nederlandse turnen toekomst geven. Voor Mitch Fenner zijn de prestaties van Epke, Yuri en Jeffrey niet genoeg.

Hij is 65 jaar, opgegroeid in een Engelse pub, heeft drie poedels, speelt verdienstelijk gitaar en maakt – als hij wordt uitgedaagd – nog een vogelnestje in de ringen. Maar Mitch Fenner is vooral een blijmoedige Brit, die als bondscoach het Nederlandse mannenturnen naar een hoger niveau wil tillen.

Hoger niveau? Hoezo? Kan het nog beter dan de Europese en wereldtitel van ringenspecialist Yuri van Gelder of het olympisch goud aan de rekstok van Epke Zonderland? Volgens Fenner wel. Prachtig die individuele successen, maar is Nederland ooit met een mannenteam op de Olympische Spelen geweest? Nee dus. En dat heeft Fenner zich ten doel gesteld, bij voorkeur over ruim drie jaar in Rio de Janeiro.

Waarom een team? Welke voordelen biedt dat? Heel simpel: het vooruitzicht voor Nederlandse turners op zes plaatsen bij de Olympische Spelen. Fenner is ook een pragmaticus. Neveneffect is dat er met een team niet, zoals vorig jaar tussen Zonderland en Jeffrey Wammes, om één uitzendplek hoeft te worden geruzied.

Maar daar alleen is het Fenner niet om te doen. Zegt hij. De Britse pensionado wil het mannenturnen in Nederland een toekomst bieden, te beginnen over drie weken bij de EK in Moskou. Daarvoor moeten de zaken structureel worden aangepakt. En daarvoor moet, zoals Fenner dat plastisch uitdrukt, „het turnen diepte krijgen”. Hij doelt op een programma voor talentontwikkeling met 120 turners vanaf acht jaar. De aanvoer naar de top moet gegarandeerd blijven.

Tot en met de Olympische Spelen van Rio zal Fenner het met de bekende namen moet doen. Dan ligt onvoorwaardelijke steun aan een nationale ploeg niet voor de hand. Zonderland en Van Gelder hebben als toestelspecialisten hun eigen agenda. Een innige samenwerking tussen tegenpolen Zonderland en Wammes is allerminst vanzelfsprekend. En dan had Wammes ook nog het voornemen met het oog op Rio meer aan zichzelf – lees specialisme op vloer, sprong en rek – te denken.

Fenner erft een verscheurd team. „Maar geen gebroken team”, spreekt hij beweringen in de media tegen. „Ik heb met Epke, Yuri en Jeffrey intensief gesproken en alle drie hebben ze zich aan mijn plan gecommitteerd. Zij zijn bereid buiten hun specialismen andere toestellen in hun programma op te nemen.”

Garanties dat hij zal slagen geeft Fenner niet. Maar een oprisping is zijn plan evenmin. In zijn eerste jaar als bondscoach heeft hij het turnveld intensief bestudeerd. Hij is kriskras het land doorgetrokken, heeft vrijwel alle coaches gesproken, tal van clubs bezocht en zo draagvlak voor zijn reconstructie verworven. Fenners plannen krijgen, te beginnen in de districten, langzaam vorm. Trots: „Op dat niveau werken al zestig achtjarigen in een opleidingsprogramma’s.”

Fenners curriculum vitae geeft enig houvast voor de toekomst. Hij introduceerde in 2003 in Groot-Brittannië een juniorenprogramma, dat het toen nog onbeduidende turnland via drie Europese juniorentitels vorig jaar zomer op de Olympische Spelen in Londen naar brons in de landenwedstrijd voerde. „Dat systeem heb ik voor Nederland gekopieerd”, vertelt hij met een lach.

Eigenlijk is Nederland nu een stap verder dan Groot-Brittannië in 2003, zegt Fenner uitdagend. „Wij hadden tot dan op Europees en mondiaal niveau twee medailles gewonnen. Jullie hebben met een Europees, olympisch en wereldkampioen al een internationaal platform.”

Fenner balsemde de geesten van Zonderland, Van Gelder en Wammes in het besef dat dit gelouterde trio het fundament voor een olympische coup in Rio moet vormen. Hoe hij daarin is geslaagd? „Nou gewoon, door eerlijk en duidelijk te zijn. Ook Epke, Yuri en Jeffrey weten dat met een team hun kansen op deelname aan de Spelen stijgen. Mijn benadering maakte hen enthousiast. Ik kan het niet goed uitleggen, maar op zekere moment voelde iedereen de vibe van een team. Maar let wel, geen van drieën krijgt een voorkeursbehandeling. They have to go for the proces.”

Tot zover de theorie. De praktijk zal weerbarstiger zijn. Nederland eindige op de laatste WK als negentiende, terwijl de twaalf beste landen tot de Spelen worden toegelaten. Ja ja, Fenner weet het, dat wordt a hell of a job. „Van plaats negentien opschuiven naar plaats zestien is relatief simpel. Maar die laatste sprong wordt enorm zwaar. Het wordt vooral een mentale strijd. Iedere turner moet beter willen zijn dan zijn teamgenoten. Als iedereen die drang tot zelfontplooiing aan de dag legt hebben we een reële kans van slagen.”

Ambitieuze woorden uit de mond van een gepensioneerde bewegingswetenschapper uit Cardiff. Wat drijft hem op die leeftijd? Zijn tegenvraag: „Waarom zou ik stoppen als een beroep op mijn kennis en ervaring wordt gedaan?” Waarbij hij één voorwaarde stelt: het moet wel een leuke job zijn. Daar is in Nederland sprake van, vindt Fenner, die in 2010 door de turnbond als technisch adviseur werd aangetrokken.

In die functie heeft de Brit een voorname rol gespeeld in het olympische succesverhaal van Zonderland, voor wie Fenner een zwak heeft. Dat dateert vanaf het moment dat hij de turner als commentator van de Britse zender BBC in het oog kreeg. Fenner herkende onmiddellijk het talent van Zonderland, hoe ongepolijst die bij zijn eerste waarneming ook was. Lachend: „Het eerste wat ik me destijds afvroeg: waar is zijn surfboard? Hij oogde wat wild, maar was fris, attractief en had flair. Bij de BBC waren we vanaf het begin fan van Zonderland, van wie ik nooit had durven denken dat ik ooit als coach met hem zou werken.”

Fenner meldde zich op een moment dat het Nederlandse turnen bij de vrouwen door onthullingen van oud-turnsters in een kwaad daglicht kwam te staan. Hij negeerde het, omdat hij niet met vrouwen werkt. „En het beïnvloedde niet mijn werk bij de mannen”, reageert hij. „Wat moet ik ervan zeggen? Alleen dat je als coach een grote verantwoordelijkheid hebt voor jonge mensen.”

Het verleden telt voor Fenner niet. Ja, natuurlijk kent hij het cocaïneverhaal van Van Gelder. „Dat is voor mij geen item. Je moet de geschiedenis kennen, maar er geen slaaf van zijn. Ik heb het met Yuri nog nooit over die kwestie gehad. Net zo min ik met Jeffrey over zijn homoseksualiteit spreek. Een turner wordt niet afgerekend op zijn geaardheid.”

Als Fenner spreekt, gaat dat in het Engels. De Nederlandse taal kost hem nog de nodige hoofdbrekens, hoewel hij zegt wel les te willen nemen. „Waarom dat nog niet is gebeurd?” Op fluistertoon: „Omdat het je lui maakt als iedereen in je omgeving zo goed Engels spreekt. Het zou prettig zijn als ik het Nederlands machtig zou zijn, maar eerlijk gezegd vind ik het geen harde noodzaak.”