Minderheden doen mee na goed onderwijs

Niet een apart contract maar goed onderwijs zorgt voor participatie van etnische groepen, vindt Maurice Crul.

Illustratie Angel Boligan

De participatie die de minister van sociale zaken, Lodewijk Asscher, twee weken geleden eiste, bleek de afgelopen week een onverwachte wending te krijgen. De Turkse tweede en derde generatie kijkt niet, zoals de eerste generatie, lijdzaam toe maar participeert en reageert. En weet ook bij Nederlandse instellingen, zoals de jeugdzorg, de vinger op de gevoelige plek te leggen. Door de golf van publiciteit komen er steeds meer reële misstanden bij de jeugdzorg aan het licht.

Het incident maakt een bredere tendens zichtbaar in onze samenleving. De klassieke minderheidsgroepen zoals Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse en Turkse Nederlanders worden in toenemende mate de gevestigde groepen, assertief en opkomend voor de belangen van henzelf en van hun kinderen. Het is niet zozeer de vraag óf zij participeren in de Nederlandse samenleving, maar hoe beleidsmakers en instellingen omgaan met hun eis tot participatie.

De grote vraag is hoe er in een samenleving die in toenemende mate divers is omgegaan wordt met de participatie vanuit verschillende groepen. De dominante visie op de multi-etnische samenleving werd geruime tijd bepaald door het idee van het multiculturalisme. Het centrale concept daarbij was tolerantie. Dit opent, zo heeft de actualiteit in de afgelopen week ook weer bewezen, de deur voor tolerantie ten aanzien van opvattingen die resulteren in de onderdrukking van anderen, zoals de uitsluiting op basis van seksuele geaardheid. Die schijnbaar onontwarbare knoop, waarin het multiculturalisme zichzelf heeft vastgedraaid, blokkeert al jaren het integratiedebat.

De oproep van Asscher tot intolerantie voor intolerantie ondersteun ik van harte, maar de weg er naartoe moet een andere zijn. Zijn eis tot aanpassing is vooral gebaseerd op het idee van het gelijk van de eigen etnisch gedefinieerde meerderheid. Dat is gezien de emancipatie van de tweede generatie en ook gezien de getalsverhoudingen in de grote steden, waar die aanpassing afgedwongen moet worden, steeds meer een gepasseerd station.

Het oude integratie-denken moet op de schop. Het opbouwen van intolerantie voor intolerantie, met name in de superdiverse stad, kan niet op een andere manier tot stand komen dan vanuit de minderheidsgroepen zelf. Het grote verschil rond de publiciteit over Yunus nu, in vergelijking met tien jaar geleden, is dat hoog opgeleide Turks Nederlandse jongeren, zoals bijvoorbeeld de schrijver Özcan Akyol, zich in de media en op internet uitspreken om homoseksualiteit te aanvaarden. Dat is een opvallend nieuw gegeven dat nog nauwelijks is opgepikt in de discussie.

Onder welke voorwaarden komt zo’n groep van pioniers binnen de Turkse gemeenschap tot stand? Dat zou de vraag moeten zijn die ons de weg wijst. De resultaten van een recent internationaal vergelijkend onderzoek onder de Turkse tweede generatie in zeven Europese landen geeft aan in welke richting we moeten denken. In alle zeven landen werden de in Europa geboren kinderen uit typische gastarbeidersgezinnen geïnterviewd. Hun ouders waren allemaal laag geschoold en doorgaans conservatief in hun opvattingen over man-vrouwverhoudingen. Het onderzoek laat zien onder welke voorwaarden een breuk ontstaat met de conservatieve opvattingen van de ouders. Het beeld is zeer eenduidig. De hoog opgeleide Turkse tweede generatie neemt overal het voortouw in de emancipatie. Die groep is in verhouding het grootst in Zweden, dat de meeste kansen biedt op doorstroming naar het hoger onderwijs en de beste voorzieningen biedt voor de combinatie van zorg en werk. De succesvolle groep propageert in de eigen families en gemeenschap progressieve ideeën over man-vrouw-verhoudingen en seksualiteit. Zij doorbreken het eerste het taboe van maagdelijkheid en zijn de pleitbezorgers voor het recht van vrouwen om, ook als zij kleine kinderen hebben, te werken.

Het Europese onderzoek laat zien dat elk land oogst wat het zelf zaait. Waar staat Nederland in dit opzicht? In Zweden betreden bijvoorbeeld anderhalf keer zoveel vrouwen van de Turkse tweede generatie de arbeidsmarkt als in Nederland en is de groep die op een midden of hoog niveau is opgeleid veel groter. Met name werkende vrouwen maken een sterk emancipatieproces door. Een jonge vrouw die voor het eerst haar eigen loon heeft verdiend hoef je niets te vertellen over economische zelfstandigheid. Niet een participatiecontract leidt tot emancipatie, maar de mogelijkheid om te participeren leidt tot emancipatie.

In zijn hoedanigheid van minister van sociale zaken heeft Asscher zelf de sleutel in handen om de participatie te bevorderen. Met de huidige drie dagdelen opvang via de voorschool leren de allochtone kinderen geen Nederlands en kunnen hun moeders niet de arbeidsmarkt op. Door een geïntegreerde en kwalitatief goede opvang van vijf dagen aan te bieden pakt de minister het taalprobleem aan en bevordert hij de emancipatie van de vrouwen. Werkende Turkse tweede generatie vrouwen veranderen het denken in de Turkse gemeenschap, niet het participatie contract van Minister Asscher.

Maurice Crul is hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Dit is de ingekorte tekst van de oratie die hij vorige week hield. De volledige tekst: www.elitesproject.eu/publications/books