'Je wórdt helemaal niet sterker van pesten'

Pesten op school móét worden verminderd. De overheid komt met effectieve programma’s, en controle. Cyberpesten wordt ook aangepakt.

De afgelopen maanden trokken kinderombudsman Marc Dullaert en staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) samen door het land om met leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders en experts te praten over pesten. Zij vonden de verhalen van slachtoffers aangrijpend. „Kinderen zitten afgebrand thuis”, vertelt Dullaert. „En pesten kan levenslang psychische littekens veroorzaken.”

Pesten moet teruggedrongen worden. En daarom hebben de kinderombudsman en de staatssecretaris vandaag een plan gepresenteerd. Daarin staat dat scholen bij wet worden verplicht pesten tegen te gaan. Ze moeten een bewezen effectief anti-pestprogramma gebruiken, de sociale veiligheid op school in de gaten houden en een pestcoördinator aanstellen. De inspectie zal controleren of dit ook allemaal gebeurt.

Aanleiding is de maatschappelijke onrust die ontstond nadat vorig jaar twee jongeren zelfmoord pleegden. Ze zouden jarenlang zijn gepest op school. „Kinderen gaan er echt aan onderdoor”, zegt Dullaert. „Wist u dat slachtoffers de psychische pijn van pesten ervaren als fysieke pijn? Zo erg is het dus.” Hij zegt dat één op de tien basisschoolleerlingen wordt pest. Staatssecretaris Dekker: „En dat willen we terugdringen.”

Hoort pesten er niet gewoon een beetje bij?

Dullaert: „Dat denken volwassenen vaak. Ze bagatelliseren pesten. Zo van: dat gebeurt nu eenmaal en je wordt er sterk van. Onzin, het is schadelijk.”

Dekker: „Er heerst een taboe op pesten. Scholen ontkennen het, net als ouders die zeggen: nee, hoor mijn kind pest niet. En kinderen durven niets te zeggen, ze zijn bang buitengesloten te worden.”

Moeten we daders strenger straffen?

Dekker: „Nee, dat is niet het middel. Natuurlijk moeten scholen streng optreden en notoire pesters schorsen of verwijderen. En bij mishandeling of diefstal moet aangifte gedaan worden. Maar daar leidt pesten meestal niet toe. Kinderen sluiten elkaar buiten, vernederen elkaar. Dat gedrag is niet altijd makkelijk te signaleren, ook al gebeurt het opzettelijk, herhaaldelijk en vaak langdurig. Bovendien is er niet één dader die je kunt aanwijzen. Het is een groepsproces, met daders, meelopers, aanmoedigers, kinderen die het voor het slachtoffer opnemen of juist de andere kant opkijken. We hebben dus andere middelen nodig dan straffen.”

Hoe zien die middelen eruit?

Dekker: „De eerste stap tegen pesten is dat iedereen erkent dat er gepest wordt. Vervolgens moet overal duidelijk zijn dat pesten onacceptabel is. Basis- en middelbare scholen, ouders én leerlingen moeten één lijn trekken en zeggen: we gaan met respect met elkaar om. Scholen maken duidelijke afspraken met leerlingen en ouders over omgangsregels en leggen die vast in contracten die alle partijen moeten ondertekenen.”

En gaat dat werken?

Dullaert: „Kinderen willen zich aanpassen aan de groepsnorm, ze willen ergens bij horen. Als die norm positief is, gedragen zij zich daar ook naar.”

Waarom worden scholen bij wet ver plicht maatregelen te nemen?

Dullaert: „De vrijblijvendheid moet weg. Er zijn scholen die veel doen, er zijn scholen die niets doen en er zijn scholen die het verkeerd doen. Ik doel op onzinnige anti-pestcursussen, zoals knuffelen met paarden, en trainingen die contraproductief werken, zoals weerbaarheidstrainingen. Daar straf je slachtoffers dubbel mee; ze worden gepest en dat is dus ook nog hun eigen schuld. Er is een hele pestindustrie ontstaan waarbij zelfbenoemde coaches grote bedragen vragen voor kwakzalverij. Scholen zijn te goeder trouw of in nood, en trappen daar in. Dat moet stoppen. Daarom verplichten we scholen een bewezen effectief anti-pestprogramma te gebruiken.”

Welke programma’s zijn dat?

Dekker: „Een onafhankelijke commissie zal kijken welke programma’s werken en waar scholen mee aan de slag kunnen. In de tussentijd maken we geld vrij om verschillende anti-pestprogramma’s te toetsen. We kijken bijvoorbeeld naar KiVa, een methode die 75 procent van de scholen in Finland gebruikt. En met succes; het pesten nam daar met 40 procent af. De Universiteit van Groningen test dit programma. Na de zomer volgen de uitkomsten.”

Jullie eisen ook dat scholen de sociale veiligheid monitoren en een pestcoördinator aanstellen. En dat de onderwijsinspectie hier op gaat toezien.

Dekker: „Scholen zijn al verplicht een pestprotocol in huis te hebben. Ze wapperen met een papiertje als de inspectie daar om vraagt. Dat is, wederom, te vrijblijvend. De inspectie zal voortaan op scholen komen kijken wat daar gebeurt. En geloof mij, een school waar niet gepest wordt, dat voel je meteen. De sfeer is er goed. Scholen die zich niet aan de regels houden, krijgen van de inspectie eerst een waarschuwing, daarna de stempel onvoldoende.”

Dullaert: „Als ombudsman ga ik het land door om steekproefsgewijs scholen te onderzoeken. Ik zal mijn bevindingen publiceren.”

In het plan staat dat leraren bijgeschoold worden.

Dullaert: „Leraren weten niet altijd hoe ze pesten moeten aanpakken. We kennen zelfs zaken van leerkrachten die mee gingen pesten om hun gezag in de klas te behouden.”

Dekker: „Het ministerie laat een lesmodel ‘omgaan met pesten’ ontwikkelen voor lerarenopleidingen en pabo’s. En er zal een vergelijkbare module komen voor de nascholing van zittende leraren.”

Dullaert: „Daarbij zal extra aandacht komen voor een nieuwe vorm van pesten: cyberpesten. Leerkrachten zien dat vaak niet als hun verantwoordelijkheid; het pesten gebeurt toch niet in de klas? Maar zo werkt het niet, digitaal pesten gebeurt overal. Kinderen zijn dus nergens meer veilig zijn. Zelfs thuis niet.”

Cyberpesten tegengaan, lastig.

Dekker: „Klopt. Maar we kunnen er wat aan doen. Door enerzijds een anti-pestcultuur te creëren en anderzijds volwassenen via de anti-pestprogramma’s praktische handvaten geven. Uit onderzoek blijkt dat ouders weinig weten over sociale media en internetgebruik en er daarom negatief over doen. Kinderen durven vervolgens niets over hun ervaringen te vertellen. Ze houden geheim dat ze online niet mee mogen spelen met klasgenootjes of uitgescholden worden, ze zijn bang om het negatieve beeld van de ouders te bevestigen.”

Dullaert: „Ons advies: sta open voor de digitale wereld. U hoeft er niet alles van te begrijpen, maar toon interesse en praat met uw kind over wat het meemaakt.”