Iedereen kan plotseling winnen in schaatstombola van Sotsji

De topschaatsen stagneert. Records blijven uit en de superstayers zijn niet langer onaantastbaar. „Niemand rijdt hard.”

Rob Schoof

Ze kwamen uit de lucht vallen, de nieuwe kampioenen. Wie zijn roebels op Denis Koezin, Olga Fatkoelina of Denis Joeskov had gezet, kan de rest van zijn leven rentenieren aan de boorden van de Zwarte Zee. Ze wisten hun eigen grenzen te verleggen, maar wonnen vooral doordat de drempel – vooral op de middenafstanden – lager ligt dan dat hij in jaren heeft gelegen. Er zijn minder dominante kampioenen, de meeste wereldrecords worden al jaren niet verbeterd. Schaatsen is een tombola geworden; iedereen kan winnen.

Coach Jillert Anema van Jorrit Bergsma toonde zich zelfs verbijsterd over het niveau dat hij aan zijn ogen voorbij zag trekken. „Ik zei tegen Erben Wennemars: als ik jou was, gaf ik vanmiddag een persconferentie waarin ik mijn comeback aankondigde”, zei de Friese coach. „Niemand rijdt hard. Zoals op de 1.500 meter wordt gereden, is te triest voor woorden.”

Niet iedereen deelde in de ‘malaise’. Ireen Wüst bevestigde met twee keer individueel goud en twee maal zilver dat ze nu al in haar beste olympische vorm verkeert – nooit eerder won ze zo veel als afgelopen seizoen. Ook Martina Sábliková heerste als vanouds op de 5.000 meter, voor de zesde keer op rij, met evenveel overmacht als Sven Kramer bij de mannen. Maar zelfs de superstayers hebben een klein jaar voor de Spelen hun onaantastbare imago verloren: Sábliková werd op de 3.000 meter verslagen door Wüst, terwijl Kramer op de 10.000 meter tekort kwam op zijn provinciegenoot Bergsma. Bij alle kortere afstanden waren de zekerheden al langer verdwenen: wintervorsten die ooit met ijzeren vuist regeerden, zoals Shani Davis, Jeremy Wotherspoon of Hiroyasu Shimizu wachten al een tijd op waardige opvolgers.

Schaatsen nivelleert – deels doordat er in landen als Kazachstan, Polen, Rusland en zelfs België harder wordt gereden, maar vooral doordat de toppers minder hard rijden dan voorheen. Kijk naar de lijst met wereldrecords: bij de mannen dateren ze uit 2007, 2008 en 2009. Bij de vrouwen is de score florissanter: de Koreaanse Lee Sang-hwa – eenzame klasse op de kortste afstand – verbeterde het wereldrecord op de 500 meter twee maanden terug nog. Maar op de 1.500 en 3.000 meter zitten er onderhand spinnenwebben op de wereldrecords: de Canadese Cindy Klassen reed ze in 2005 en 2006.

Een hele batterij aan middenafstandsrijders voelde zich afgelopen seizoen voor één zondag de held, maar was een week later al weer de grote verliezer. Rijders als Stefan Groothuis, Koen Verweij, Bart Swings, Zbigniew Brodka en Brian Hansen kunnen erover meepraten. De olympisch kampioenen van volgend jaar kunnen uit wel tien verschillende landen komen.

„Er is geen dominante schaatser meer, behalve op de langere afstanden”, zegt Shani Davis (30), tweevoudig olympisch kampioen op de 1.000 meter, zesvoudig wereldkampioen op de 1.000 en 1.500 meter én nog altijd wereldrecordhouder op beide afstanden. „Ik weet niet of het nog mogelijk is op die afstanden. Wat ik in het verleden heb gedaan, was best bijzonder – uniek. Als ik fit ben en ik heb een goede zomer, krijg ik dat misschien weer terug. Maar het gaat er tegenwoordig vooral om wie zijn race het beste uitvoert op de dag van de wedstrijd.”

Ook Kosta Poltavets, oud-trainer bij TVM en nu coach van de Russische revelatie Joeskov, schrikt soms van de tijden die hij ziet. „Het gaat veel langzamer dan vijf jaar geleden, met Shani en Erben. Het schaatsen ontwikkelt zich niet meer op die afstanden. Dat heeft te maken met het wisselen van de generaties: de ouderen rijden die tijden niet meer, de jongeren hebben dat niveau nog niet. Je kunt de ene dag eerste zijn, de andere dag tiende.”

Jillert Anema kan slechts gissen naar de reden voor de stagnatie in de wereldtop. „Voor de middenafstanden moet je vooral tempowerk trainen. Dat zijn trainingen die het meest pijn doen. Misschien durft men dat niet meer aan.”

Gelet op de medaillespiegel kan de Nederlandse ploeg tevreden terugkijken, al viel de oogst op de kortere afstanden tegen: Groothuis, Koen Verweij, Kjeld Nuis, Mark Tuitert, en Diane Valkenburg en Marrit Leenstra bij de vrouwen, bleven allemaal buiten de prijzen.

Desondanks haalden de Nederlandse schaatsers nooit eerder zes gouden medailles op de WK afstanden. „Wat dat betreft is dit absoluut een top-WK”, zei Arie Koops, directeur Sport van schaatsbond KNSB, in zijn slotanalyse. „Dat we ook vierde, vijfde en zesde plaatsen scoren, zegt dat het Nederlandse schaatsen er ook in de breedte heel goed voor staat.”

Met name Wüst zette een indrukwekkende reeks neer in Sotsji. Het maakt de Brabantse volgend jaar tot topfavoriet op de middenafstanden. Maar Wüst weet ook dat ze tijdens het olympische toernooi beduidend meer weerstand mag verwachten van schaatssters als de Canadese Christine Nesbitt en de Amerikaanse beloften Heather Richardson en Brittany Bowe, voor wie het seizoen een paar weken te lang duurde. Ook Sábliková, hersteld van een langdurige rugblessure, zal volgend jaar sterker zijn dan nu.

Bij de mannen leverde Bergsma de meest opvallende prestatie. Met zijn zege op de 10.000 meter – ruim twee seconden sneller dan Kramer – werd hij de eerste marathonschaatser met een wereldtitel op de langebaan. En Kramer werd voor het eerst op de WK afstanden verslagen op zijn specialiteit. „Maar ik voel me geen favoriet voor de olympische titel”, sprak Bergsma na afloop. „Als ik met tien seconden verschil had gewonnen, was het anders geweest.” Kramer had in de rit voor Bergsma en Bob de Jong (brons) moeten starten en moest constateren dat hij te behoudend had gereden op de nieuwe ijsvloer. „Voor nu is dit acceptabel, maar als dit volgend jaar gebeurt, breek ik de tent af”, zei Kramer.

Met de opkomst van Bergsma is ook de strijd op de langste afstand veel meer open dan vier jaar geleden. „Ik denk dat wij met z’n drieën om de titel strijden”, denkt Bergsma. De loting kan daarbij doorslaggevend zijn, denkt Kramers coach Gerard Kemkers. „Dit was niet gebeurd als Sven tegen of na Jorrit had gereden.”