Haring en eieren. Et cetera

Enthousiast geraakt door de televisieserie De Gouden Eeuw schreef ik me in voor de collegereeks ‘Het ontstaan van Amsterdam’ aan de Vrije Academie. Het was op vrijdagavond in een met tl-bakken verlichte zaal van het Bijbels Museum aan de Herengracht in Amsterdam.

Het was voor het eerst dat ik vrijwillig een vorm van onderwijs onderging en ik was benieuwd naar de andere deelnemers. We waren met een stuk of zestig, meest vrouwen, de gemiddelde leeftijd was vijftig-plus. Vrijwel iedereen maakte aantekeningen. Als de docent sprak hoorde je de pennen krassen.

Ik zat naast een echtpaar dat elkaar aansprak met ‘snuit’ en ‘pluis’.

„Wist jij dat, snuit?”

„Nee, pluis.”

Spreken in het openbaar is niet iedereen gegeven.

Zelf sprak ik ook wel eens in het openbaar. De laatste keer tot een groep studenten die voetbaljournalist willen worden. Er vielen die avond lange stiltes, maar na afloop gaven ze me bijna allemaal een hand. Eentje sprak de legendarische zin: „Bedankt voor de fijne les, meester”. Ik vond dat eerst behoorlijk overdreven, maar na weer twee uur vrije academie toch wel terecht.

Onze docent worstelde zich met behulp van dia’s en een pak cijfermateriaal door de middeleeuwen. Af en toe maakte hij totaal onverwachts een zin niet af en dan verwachte hij van ons respons.

„En dan komen we in 1609 en dan roept u….”

Diepe stilte.

„Het twaalfjarig bestand…”

Naast me produceerde snuit een voltreffer toen hij als eerste ‘eieren’ riep nadat onze docent over de middeleeuwse markt had gezegd: „Wat was daar zoal te koop? Nou veelal boter, kaas en….”

Eieren dus.

De docent: „Eieren et cetera.”

We leerden veel. Dat de veemarkt in 1478 werd verplaatst naar de Kalverstraat. Dat de tulpenbollencrisis ‘een kredietcrisis avant la lettre’ was. „Het is net als met nu de hypotheken et cetera.”

En dat ‘et cetera’ het stopwoordje van onze docent was.

Na een uur was het pauze.

Er vormde zich een lange rij voor de twee koffieautomaten waar je voor 1 euro 50 een bekertje warm water et cetera kon krijgen.

Na de pauze denderden we door.

„Wat haalden de Hanzesteden uit Amsterdam?” Een vrouw stak haar vinger op. „Batik-kleding?” De docent: „Inderdaad, haring et cetera.” De vrouw: „Geen batik-kleding? Afrikaanse slaven droegen toch batik-kleding?”

De docent: „Daar zullen we archieven van de West-Indische Compagnie op moeten naslaan. Maar ik doelde op haring et cetera.”

Onze docent maakte een doorleefde indruk.

Het kostte weinig moeite om hem naar de middeleeuwen te fantaseren met in de rechterhand een kruik bier en op links een kippenpoot. Et-ceee-tee-raaa.