Gebruik van drones kan wel degelijk nut hebben

Drones zijn als krijgsmiddel niet onethisch. Ze passen in een lange ontwikkeling van wapens op afstand, vinden Paul Ducheine en Frans Osinga.

Nieuwe technologieën veroorzaken nieuwe angsten en debatten. Dat gold voor de Zeppelin en de onderzeeër; het geldt nu ook voor cyber warfare en drones. Onlangs pleitten Wecke en Verkoren in deze krant voor een publiek debat over drones. Dit politieke en wetenschappelijke debat hierover moet inderdaad openbaar gevoerd worden, maar dan wel zuiver.

Het onderwerp is niet gebaat bij demagogie waarin ongewapende militaire bijstand aan de Nederlandse politie op één lijn geplaatst wordt met gewapende gevechtsacties. Zo wordt het gebruik van mini-drones (‘Ravens’) boven Nederland bekritiseerd vanwege angst voor aantasting van privacy en de vrees voor bewapening. Die Ravens leveren bijstand aan de politie voor observatie. Bewapening is niet aan de orde. Qua privacy gelden regels zoals bij rechtshandhaving. Uiteraard speelt privacy een rol, maar de wetgever bepaalt de balans tussen veiligheid enerzijds en vrijheid/privacy anderzijds.

Critici als Wecke en Verkoren stellen vragen bij de inzet van bewapende drones boven Afghanistan, Pakistan en Jemen. Allereerst omdat tegenstanders zonder vorm van proces lijken te worden „omgebracht” waarvoor een rechtsbasis kennelijk ontbreekt. Bovendien is er blijkbaar sprake van excessieve nevenschade (collateral damage) inclusief burgerslachtoffers. Deze vorm van oorlogvoering zou niet ethisch zijn omdat de operators – risicoloos – buiten schot blijven en tegenstanders slechts abstracte symbolen op computerscherm vormen. De vijand als mens ‘verdwijnt’ door deze ‘playstation-mentaliteit’ waarmee ‘de-humanisering’ van oorlogvoering een feit is. Tot slot zouden drones niet effectief zijn en contraproductief werken doordat de lokale bevolking ze als terreur ervaart.

Bovenstaande kritiek gaat deels mank. De inzet in Pakistan kan niet als sjabloon voor (toekomstige) Nederlandse inzet worden gezien. Mocht Nederland overwegen bewapende drones aan te schaffen, dan mag worden aangenomen dat de inzet een adequaat internationaal mandaat als grondslag heeft. Daarnaast moet de inzet zich voegen naar strikte rules of engagement en bijvoorbeeld oorlogsrecht. Hiervoor is de regering eindverantwoordelijk.

De krijgsgeschiedenis staat bol van technische middelen en methoden die gevaren voor eigen troepen beperken. Regering en volksvertegenwoordiging willen niet dat strijdkrachten onnodige risico’s lopen. Eén methode daarvoor is de afstand tot tegenstanders te vergroten zodat militairen zelf buiten schot blijven: zie de kruisboog en musket.

Drones passen in deze ontwikkeling. Ze zijn daarom niet minder ethisch dan artillerie of raketten. Dat ligt mogelijk anders bij toekomstige robotisering van drones die autonoom – zonder tussenkomst van een operator – tot een aanval overgaan. Dit is bij Nederlandse drones nog niet aan de orde. Een drone is daarom als middel niet onethisch, de inzet mogelijk wel (dat geldt trouwens voor alle wapens), maar dat zijn twee verschillende zaken.

Collateral damage – onbedoelde burgerslachtoffers of schade aan civiele objecten – duidt evenmin automatisch op onethisch gedrag of oorlogsmisdrijven. Het oorlogsrecht accepteert namelijk dat aanvallen nevenschade veroorzaken. Dat wordt, hoe tragisch ook, als onvermijdelijk gezien. Nevenschade die vooraf als buitensporig wordt ingeschat ten opzichte van het verwachte militaire voordeel, is disproportioneel en verboden. Hier gaat de kritiek regelmatig mank: vaak wordt met kennis achteraf of met een verkeerde voorstelling van ‘proportionaliteit’ op deze afweging teruggekeken. Belangrijker nog is dat collateral damage bij drones in veel gevallen juist beperkter is dan bij andere conventionele militaire operaties. Dat nevenschade ontstaat, is even spijtig als onweerlegbaar. Maar dat dit bij drones meer zou zijn, staat niet vast.

Het empirische bewijs van de-humanisering, van de playstation-mentaliteit onder de operators van bewapende drones moet nog geleverd worden. Het is zelfs goed voorstelbaar dat drones een positief effect hebben op – het per definitie brute proces van – oorlogvoering. Juist omdat de operators geen risico lopen, hebben zij meer tijd en gelegenheid om extra informatie te verzamelen over een doelwit, te wachten op een beter moment (of betere plaats) voor de aanval, of de aanval af te blazen.

Ten slotte zijn recente analyses over de effectiviteit van – bewapende en onbewapende – drones niet allemaal negatief. Zo is bekend dat ze nauwkeurige informatie opleveren, langdurig kunnen worden ingezet, subtiel en zo nodig precies te bewapenen zijn en in risicovolle omgevingen kunnen worden ontplooid.

De vraag om een publiek debat over drones is terecht. De bijdrage van Wecke en Verkoren (en anderen) gaat mank op kennis van het gevechtsveld en neigt naar stemmingmakerij. Het onderwerp is te complex om met oneliners te volstaan. Er staan grote belangen op het spel: mensenlevens, vrijheid en veiligheid. Daarover moet serieus te spreken zijn. Maar wel zuiver.

Paul Ducheine en Frans Osinga zijn respectievelijk universitair hoofddocent en hoogleraar aan de Nederlandse Defensie Academie.