Eén slippertje bij de start en weg is het historische goud

Jan Smeekens leek als eerste Nederlander een wereldtitel op de 500 meter te halen. Maar in de tweede rit brak de spanning hem op.

Jan Smeekens greep naast de wereldtitel sprint. „Ik voelde het meteen, ik viel iets voorover.” Foto Reuters

Al jaren geldt hij als het buitenbeentje van het Nederlandse schaatsen. De sprinter die zich met zijn kracht, souplesse en zijn katachtige bewegingsritme niet liet persen in het Nederlandse keurslijf van de 1.000-meterspecialist: van hen waren er al genoeg, van Ids Postma tot Gerard van Velde en van Jan Bos en Erben Wennemars tot Stefan Groothuis.

Tot diep in de Russische middag leek Jan Smeekens (26) gisteren geschiedenis te schrijven in de Adler Arena van Sotsji, door als eerste Nederlander een wereldtitel op de 500 meter te halen. De eerste omloop had hij glansrijk gewonnen (34,80) – net zo strak als hij de zes wereldbekerraces voor de WK in Sotsji naar zijn hand had gezet.

Maar precies op het moment dat hij zijn harde werk van de afgelopen jaren ging verzilveren, brak de spanning hem op. Eén slippertje bij de start en weg was het goud dat aan de finish klaarlag. Weg illusie – hij mocht met brons naar huis. „Ik voelde het meteen, ik viel iets voorover”, verzuchtte Smeekens naderhand.

„Het is wel extreem zuur.” Het is het lot van de sprinter, Smeekens kent het als geen ander. „Er zijn zoveel fouten die je bij de start kunt maken”, legde hij uit. „Het is een harde leerschool.”

Zijn directe tegenstander, de Koreaan Mo Tae-bum, regerend olympisch kampioen, profiteerde vol van zijn misser, zoals loerende sprinters van zijn kaliber gewend zijn. „Uiteindelijk moet ik nog blij zijn met de derde plek”, wist Smeekens na zijn mislukte finale (35,06). Hij zag ook de Japanner Joji Kato nog passeren.

Smeekens had zo graag gebroken met een traditie van ‘net niet’ op de 500 meter – de enige schaatsafstand die Nederland nog nooit individueel goud opleverde. Lieuwe de Boer was in 1980 (Lake Placid) dichtbij met olympisch brons en Jan Ykema greep in 1988 (Calgary) verrassend olympische zilver.

Ook Michel Mulder weet hoe zwaar de details wegen op een 500 meter. Hij eindigde een jaar geleden op eenhonderdste van wat toen eenzelfde historische gouden WK-medaille leek te worden. Maar ook Mulder zwichtte uiteindelijk tegen Mo Tea-bum. „Het is heel lastig, twee 500 meters achter elkaar”, weet Mulder. „Mo is een ontzettend koele kikker. Hij rijdt technisch perfect. Die jongen maakt gewoon geen fouten.”

De slotrit tussen Mo en Smeekens toonde hoe dun de lijn is tussen succes en falen. Een stayer heeft 25 rondjes om een zwakke start te verdoezelen – op een sprint is elk misslagje fataal. „Ik zette nog alles op alles om het recht te zetten, maar dat is een beetje tegen beter weten in”, zei Smeekens. „Dan lijkt zo’n 500 meter wel op een vijf kilometer.”

Smeekens erkende dat hij zichzelf de druk van een titel had opgelegd, ook al meende hij er niet onder te lijden. „Als leider in het klassement de laatste 500 meter rijden is nooit makkelijk. Het is makkelijker om uit het tweede wiel weg te sprinten. De druk is heel groot bij de start. Zo’n fout als deze, wegglijden bij de start, gebeurde mij dit jaar nog niet. Ik ga hier vooral heel veel van leren. Volgend jaar kom ik terug om wél op de hoogste podiumplek te staan.”

De sprinter uit Raalte weigerde zichzelf af te vallen na het beste seizoen uit zijn loopbaan: twee weken geleden legde hij in Heerenveen als eerste Nederlander beslag op de wereldbeker van de 500 meter. „En ik sta wel op het podium bij de WK afstanden. Twee jaar geleden was ik als een kind zo blij geweest met de derde plek. Ik ben extreem trots op mijn prestaties dit seizoen. Het had mooier kunnen zijn, maar soms moet je tevreden zijn met wat je hebt.”

Met de gebroeders Mulder op de vierde (Michel) en vijfde (Ronald) plaats verkeert het Nederlandse schaatsen een klein jaar voor de Spelen wel in luxepositie: de kans dat die hatelijke nul uit de boeken verdwijnt wordt groter.