Couperus kende het huis zeker

Het huis dat Louis Couperus inspireerde in De Stille Kracht heeft hij samengesteld uit twee gebouwen. Dat maakt Bas Heijne op uit reacties op zijn artikel vorige week.

Op mijn stuk over Louis Couperus en De stille kracht in deze krant (De residentie van Otto van Oudijck, 20 maart) kwamen veel reacties. Liefhebbers deelden hun enthousiasme over de roman, anderen lieten weten de klassieker eindelijk eens te gaan lezen. Er werd ook gereageerd op onze – ik reisde met een filmploeg – identificatie van het huis dat Couperus ter inspiratie gediend zou hebben voor de residentswoning van Otto van Oudijck, de tragische hoofdpersoon van De stille kracht. Couperus zou het boek daar ook geschreven hebben, najaar 1900, tijdens zijn verblijf bij zijn zuster en zwager, die daar resident was.

In het artikel beschreef ik hoe wij er ter plekke achter kwamen hoe dicht Couperus in zijn roman bij de werkelijkheid was gebleven; veel van het fictieve plaatsje Laboewangi was in Pasoeroean terug te vinden. Het door ons aangetroffen huis paste in dat plaatje. Het werd ons als zodanig aangewezen door een oude docent aan de plaatselijke technische school, de locatie kwam overeen met een kaartje in een boek met foto’s van rond 1900, in de grote tuin stond een beeld van een fiere Nederlandse leeuw. Belangrijker: de beschrijving van de residentie in de roman klopte precies met de bouwval die wij aantroffen. Nog belangrijker: wie vanuit dit huis door de tuin de hoofdweg van Pasoeroean opliep, kon de avondwandeling die Van Oudijck in het eerste hoofdstuk van de roman maakt, precies nalopen, helemaal tot aan de haven aan toe. Bingo.

Maar. Vanuit het Couperus Genootschap werden wij geattendeerd op een artikel in hun blad Arabesken uit 2001, waarin een ander gebouw als de echte residentswoning wordt aangewezen. Dat gebouw lijkt weliswaar nauwelijks op de beschrijving in de roman, maar heeft kenmerken gemeen met de historische residentswoning zoals die op een foto van rond 1900 staat (hoewel er ook grote verschillen zijn).

De schrijver van dat artikel, Willem B.S. de Vries, reageerde zelf ook: volgens hem was het gebouw dat wij gevonden hadden het residentie-kantoor. Of anders de woning van een steenrijke planter.

Die observatie bleek interessant, want na verschijning van het artikel ontving ik van de heer Joris Loeff een foto van ‘ons’ huis in zijn volle glorie. Het was zeker het huis, alles klopte. Zijn grootouders hadden daar rond 1903 gewoond, liet hij weten, toen een jong plantersechtpaar. Ze waren in Nederland „met de handschoen getrouwd”, waarna de bruid naar Indië was gereisd. „Wellicht dat mijn grootvader haar niet meteen mee heeft willen nemen naar de binnenlanden”, schrijft de heer Loeff, „en daarom een deel (?) van het huis in Pasoeroean heeft gehuurd. Ik weet dat het in de familie altijd is aangeduid als ‘het Paleis’.”

In De stille kracht heeft de residentswoning een „indrukwekkend paleisportaal”. Woonde het, toen bepaald niet welgestelde, paar bij anderen in? Was het ‘Paleis’ misschien woonhuis en kantoor tegelijk?

Hoe dan ook, Couperus heeft het huis zeker gekend. Het lijkt erop dat hij het wel degelijk als model heeft gebruikt voor de residentie van Otto van Oudijck – gezien zijn beschrijving en de ligging ervan. Maar zijn roman heeft hij waarschijnlijk een eindje verderop geschreven.