Bij Feyenoord is de jeugd nu ook technisch

Zeven spelers van de Oranjeselectie hebben bij Feyenoord in de jeugd gespeeld. In Rotterdam hebben de talenten veel kans op een doorbraak.

De jeugdopleiding op Varkenoord moet twee spelers per seizoen voor het eerste afleveren. Foto’s Robert Vos

Natuurlijk, hij was altijd al een talent. Tonny Vilhena speelde als B-junior al in de A1 van Feyenoord, het hoogste jeugdteam, en niemand twijfelde eraan dat hij het eerste elftal zou halen. Maar dat betekent niet dat de jeugdopleiding van de club niets meer hoefde te doen om Vilhena naar de top te helpen, zegt hoofd jeugdopleidingen Stanley Brard. „Hij is van zichzelf heel druistig, gedreven, en wil overal tegelijk zijn op het veld. Dat heeft ook nadelen. Bij ons heeft hij geleerd om beter om zich heen te kijken op het veld, en om niet altijd maar mee naar voren te gaan.”

Niet lang na zijn achttiende verjaardag werd Vilhena, die een jaar geleden debuteerde in de eredivisie, vorige week opgeroepen voor het Nederlands elftal. In de selectie van bondscoach Louis van Gaal trof hij zes andere spelers die ooit speelden op Varkenoord, het jeugdcomplex van Feyenoord: Daryl Janmaat, Stefan de Vrij, Bruno Martins Indi, Jordy Clasie, Jonathan de Guzmán en Robin van Persie.

Hiermee houdt Feyenoord gelijke tred met Ajax. Maar de Feyenoorders zijn gemiddeld jonger. De tijd is voorbij dat Ajax de vanzelfsprekende hofleverancier was voor Oranje.

Op deze ijzige ochtend traint de A2 op Varkenoord samen met vijf spelers van de A1. Andere spelers van het hoogste jeugdelftal zijn afwezig wegens interlandverplichtingen; Feyenoord levert vijf spelers aan Oranje onder negentien en vier aan Oranje onder achttien. De overgebleven spelers doen een rondo, een positiespel en spelen een partijtje met negen tegen negen.

Eerste-elftalspelers Tonny Vilhena en Jean-Paul Boëtius zouden qua leeftijd nog thuishoren in dit team. De laatste begon het jaar ook in de A1, maar werd door trainer Ronald Koeman overgeheveld naar het eerste. In oktober maakte hij zijn debuut in de basis, thuis tegen Ajax.

Dat er de laatste jaren zo veel talenten doorbreken, is mede het gevolg van de slechte financiën van Feyenoord, erkent Brard. „Er was geen geld meer om spelers te kopen, dus moest Feyenoord wel terugvallen op de jeugd. Maar we hebben ook het programma veranderd. Toen ik hier zeven jaar geleden begon, lag de nadruk in de jeugd op de teamprestatie. Nu is winnen ondergeschikt gemaakt aan de individuele ontwikkeling van een speler.”

Het officiële doel van de Feyenoordopleiding is om twee spelers per jaar af te leveren voor het eerste. Dat lukt elk jaar; vorig seizoen maakten zelfs vijf jeugdspelers hun debuut in het eerste. In tegenstelling tot clubs als Ajax, AZ en SC Heerenveen, die vooral veel Scandinaviërs op jonge leeftijd naar Nederland halen, doet Feyenoord het met bijna uitsluitend Nederlandse jongens. Brard: „Wij hebben jongens als Christian Eriksen en Viktor Fischer, die nu bij Ajax spelen, ook in het zicht gehad. Maar we hadden niet het geld om ze aan te trekken. Wel sturen we nog scouts naar internationale jeugdtoernooien, maar een buitenlandse jongen moet wel echt een meerwaarde hebben.”

Ten opzichte van de tijd dat Brard (54) zelf jeugdspeler van Feyenoord was, is vooral de begeleiding sterk geïntensiveerd. Brard: „In mijn tijd was [wijlen] Fred Blankemeijer bestuurslid van Feyenoord, regelde hij de veiligheidszaken en trainde hij de jeugd. Nu hebben we vijf begeleiders per jeugdteam.” Het heeft een mooie carrière voor Brard niet verhinderd: zo werd hij in 1984 landskampioen met de Rotterdammers.

Een verschil met zijn tijd is ook dat de Feyenoordjeugd tegenwoordig niet meer voldoet aan het cliché van de harde werkers die de mouwen opstropen. Bij de kleintjes, zegt Brard, ligt de nadruk vooral op techniek: aannemen, passen en schieten.

Langs de kant van het trainingsveld slaat trainer Damiën Hertog zijn pupillen gade. „Vorig jaar hadden we echt een fantastisch team. Tegen Utrecht stonden we bijvoorbeeld bij rust al met 5-0 voor.” Dat team had nog beter kunnen zijn als Engelse teams niet drie talenten op jonge leeftijd hadden overgenomen. Waar Vilhena en Böëtius al doorbraken, zitten Nathan Aké (Chelsea), Karim Rekik (Manchester City) en Kyle Ebecilio (Arsenal) nog op de bank of tribune. Hertog: „Ik zal nooit tegen zulke jongens zeggen dat ze niet naar Engeland moeten gaan. Maar de kans op een goede ontwikkeling is wel groter als je bij Feyenoord blijft.”