Verscheurd staatje was altijd al een schakel in de geopolitiek

Cyprus is al anderhalve eeuw een geopolitieke speelbal tussen Europa, Rusland en het Midden-Oosten. Wie controleert het eiland bij vertrek uit de eurozone?

Vanaf het moment dat het Ottomaanse Rijk begon te verkruimelen hebben de grote mogendheden tussen Atlantische Oceaan en Oeral het eiland en elkaar met argusogen gevolgd. In de tweede helft van de negentiende eeuw, toen Ottomanen (Turken) steeds minder in staat waren Cyprus onder controle te houden, meldden de Britten zich. In 1878 lijfde het Verenigde Koninkrijk het eiland in. Dat had defensieve motieven. Het wilde voorkomen dat het eind negentiende eeuw sterk opkomende tsaristische Rusland voet aan de grond zou krijgen in dit deel van de Middellandse Zee. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Britse politiek offensiever. Het eiland moest een steunpunt blijven in de Koude Oorlog met het Sovjetrijk dat aasde op uitvalbases in het zuiden.

Al die jaren werd het eiland zelf verscheurd door een panhelleens verlangen naar staatkundige eenheid van alle Grieken en de Turkse nostalgie naar het Ottomaans Rijk.

Sinds de onafhankelijkheid in 1828 koesterde Griekenland aanspraken op het eiland, dat voor driekwart door orthodoxe Grieken wordt bevolkt. Die pretenties namen een vlucht nadat het nieuwe Turkije onder leiding van Atatürk in 1922 het Griekse leger had vernietigd en twee miljoen Grieken in Klein-Azië naar het Griekse vasteland werden verdreven. Ook op Cyprus, waar het streven naar hereniging met Grieken, het idee van de enosis, een vlucht nam.

Deze enosis werd in Griekenland vooral gesteund door conservatieve en ook fascistoïde krachten. De Griekse burgeroorlog (1946-1949) tussen communistische guerrillagroepen, die dachten dat de Sovjet-Unie hen te hulp zou schieten, en het royalistische regeringsleger, gesteund door Engeland en later de VS, versterkte die enosis-emoties tussen eiland en het vasteland.

Toen de enosis in de jaren vijftig van de twintigste eeuw via de paramilitaire organisatie EOKA in een gewapende fase kwam, reageerde de Turkse gemeenschap op Cyprus met de taksim die het eiland juist wilde opdelen in twee gemeenschappen.

Aan de polarisatie kwam geen einde toen Cyprus in 1960 onafhankelijk werd en aartsbisschop Makarios tot president werd gekozen. Ook niet toen Makarios, die aanvankelijk een pleitbezorger van de enosis was, niet voor de NAVO koos maar voor een ‘derde weg’. De angst voor diens ‘neutralisme’ en Cypriotisch dubbelspel groeide helemaal toen Cyprus zich in 1961 aansloot bij de Beweging van Ongebonden Landen.

Op Cyprus namen de spanningen intussen toe. In 1963 kwam het tot rellen tussen Turken en Grieken: bekend als de ‘bloedige Kerstmis’.

Een nieuwe episode diende zich aan toen in Griekenland kolonels een staatsgreep pleegden, die VS wegens de Koude Oorlog op zijn beloop lieten. De junta in Athene tamboereerde op verwantschap met EOKA-leider kolonel Grivas. Toen de militaire dictatuur eind 1973 door studentenprotest in het nauw kwam, koos de junta voor een typisch vlucht naar voren. Op Cyprus dacht EOKA-man Nikos Sampson met een putsch een einde te maken aan Makarios’ bewind. Zijn coup duurde acht dagen. Het einde van het liedje was dat de Turken, op grond van de verdragen uit 1960, militair intervenieerden. Een ‘catastrofe’ à la 1922 in het klein.

Bijvangst was een smadelijke afgang van de dictatuur in Athene. De junta moest de macht overdragen aan ex-premier Karamanlis, die uit ballingschap terugkeerde. Griekenland werd mede dankzij de Turkse invasie een democratie en in 1981 al lid van de Europese Gemeenschap.

Cyprus was intussen een fysiek verdeeld land. De Turkse militairen gingen niet weg en zagen toe op een ware volksverhuizing. Het Grieks Cypriotische deel besloot zijn economische infrastructuur op een eigen leest te schoeien: toerisme, scheepvaart en diensten. Cyprus werd een offshorezone voor brievenbusondernemingen en kapitaal. De burgeroorlog in Libanon, waar Beiroet een financieel centrum was geweest, speelde Cyprus in de kaart.

In 1983 riepen de Turks Cyprioten hun onafhankelijkheid uit, alleen erkend door Ankara .

Pogingen van de Verenigde Naties een oplossing te vinden mislukten. Ook na de Koude Oorlog. Waar bijvoorbeeld Duitsland in 1990 werd herenigd, bleef Cyprus verdeeld.

Het Griekse deel vroeg in 1990 het lidmaatschap van de Europese Gemeenschap aan. Door de komst van vluchtkapitaal uit de oud Sovjet-Unie, vooral Rusland waar een kleine groep oligarchen profiteerde van de ‘privatisering’ van oliebronnen en ander staatbezit, versterkte Cyprus zijn offshorezone. Na de roebelcrisis van 1988, toen de Russische staat de facto bankroet ging en meteen een belastingverdrag met Cyprus sloot, was de kapitaalexport naar het eiland niet meer te stuiten. Toen de Russische economie door de stijgende energieprijzen begin deze eeuw ging boomen was het hek van de dam.

Onder druk van een dreigend Grieks veto voor toelating van Oost-Europese landen tot de EU, mocht ook Cyprus toetreden. En dat terwijl Europa a priori geen conflictgebieden wil opnemen. In 2004 ging dat mis. Secretaris-generaal Kofi Annan van de VN had een plan opgesteld voor een federaal Cyprus. Dat plan zou aan de gehele bevolking in een referendum worden voorgelegd.

Voor de Griekse meerderheid was het pijnlijk dat dit plan vastlegde dat de Turkse immigranten, die de voorgaande drie decennia naar het eiland waren gekomen om het noordelijke deel body te geven, mochten blijven. Een ook dat Ankara met Londen en Athene de ‘garantiemogendheden’ uit de verdragen van 1960 zouden blijven. De EU suggereerde dat het plan essentieel was voor toelating. Het stelde een ‘ja’ echter niet als voorwaarde. De Turks Cyprioten begrepen het onheldere signaal uit Brussel: 65 procent stemde voor. De meerderheid van de Grieks Cyprioten, gesterkt door de weigering van Athene een positief stemadvies te geven, besloot tot blufpoker. Driekwart stemde tegen. Het werkte. Een week later werd Cyprus EU-lid. De facto is echter alleen het Griekse zuiden dat.

Toelating tot de eurozone in 2008 was daarna een gelopen koers. Als Cyprus eruit moet, ligt de negentiende eeuwse vraag wie het eiland controleert weer open.