Verraden jezuïet

Pater Van Kilsdonk werd studentenpastor in het Amsterdam van de jaren zestig. Seks voor het huwelijk en homoseksualiteit keurde hij goed, het celibaat noemde hij zinloos en ongezond. Alex Verburg schreef zijn biografie.

Een mediahype was het, een van de eerste in Nederland die door de televisie werd veroorzaakt – oktober 1962. Pater Jan van Kilsdonk, 46 jaar en al een beroemdheid in het Amsterdamse studentenleven, had in het deftige gezelschap van katholieke academici gezegd dat je best kritisch mocht zijn over bisschoppen en pausen. Dat waren ook maar mensen.

Ongehoord, in die tijd.

De camera’s van de KRO waren erbij. Van Kilsdonk had geen benul wat daar de gevolgen van konden zijn. Diezelfde avond werden de beelden uitgezonden. Nederland had nog maar één net, maar er waren meer dan een miljoen huishoudens met een televisietoestel. De woorden die pater Van Kilsdonk had uitgesproken voor de leden van de Sint Adelbert-vereniging werden wereldnieuws.

En toen werd pater Van Kilsdonk afgezet. Hij las het op een ochtend in de Volkskrant, toen nog katholiek: het Heilig Officie in Rome eiste zijn ontslag. „Klopt dat?”, vroeg hij telefonisch aan de bisschop van Haarlem, onder wiens jurisdictie hij viel. „Ja”, zei die. „Dat klopt.” De Romeinse curie vond het hoogst gevaarlijk als deze pater zijn ideeën zou blijven verspreiden.

Een maand later werd hij na bemiddeling in Rome weer in genade aangenomen, maar tot op zijn sterfbed, in 2008, zou hij er gekrenkt door blijven – zegt Alex Verburg, de man die Van Kilsdonks memoires schreef. Ze zijn net gepubliceerd: Pater Van Kilsdonk. Raadsman in delicate zaken.

Verburg (1953): „Hij begon er meteen over, de eerste keer dat ik bij hem was. Ik wilde chronologisch te werk gaan en bij zijn jeugd beginnen, maar hij zei: pardon, mag ik even de regie? En toen begon hij over die Adelbert-rede en wat dat met hem gedaan had. In de gesprekken daarna is hij er minstens tien keer op teruggekomen. Soms zei ik: pater, dat hebt u toch al verteld? Nee hoor, zei hij dan. Toch wel, pater. O ja? Hij moest en zou erover praten.”

Wat hem vooral zo verdrietig had gemaakt: het verraad van de mensen van wie hij wist dat ze het met hem eens waren, maar die hem in het openbaar niet durfden te steunen of hem afvielen.

Van Kilsdonk, geboren in 1917, was de zoon van een molenaar uit het dorp Zeeland, aan de rand van de Peel. Zijn moeder overleed toen hij tien was. Hij werd opgeleid tot jezuïet en in 1947 werd hij naar Amsterdam gestuurd om aan het Ignatiuscollege godsdienst te onderwijzen. Onder zijn leerlingen: de dichter en theoloog Huub Oosterhuis (vader van Tjeerd en Trijntje), de literatuurcriticus en essayist Kees Fens, de priester en kunsthistoricus Antoine Bodar. Vooral met de laatste zou hij later de grootste moeite krijgen.

In 1958 werd Van Kilsdonk studentenpastor. Twee jaar daarna richtte hij de Studentenekklesia op, een kerkgemeenschap die snel groot en populair werd, ook onder gereformeerden en hervormden. Hij zei dat voorechtelijke seks geen doodzonde was, in een tijd dat veel katholieken dat nog wel zo zagen. Later zei hij dat het celibaat zinloos en ongezond was, tenzij het je lag. Hij was de steun en toeverlaat van aidspatiënten, onder wie de schrijver Frans Kellendonk, en leidde hun uitvaartdiensten. Hij gaf homoparen zijn zegen.

Tegen Alex Verburg zei Van Kilsdonk dat hij zich zijn hele leven van de lichamelijke liefde had onthouden. „Die gevoelens had hij gesublimeerd in empathie met de mensen die zijn hulp zochten. Hij kon zich zo goed in anderen inleven dat hij bij wijze van spreken met honderden mannen en honderden vrouwen geslapen heeft.”

Het was niet Verburgs eigen idee om Van Kilsdonks memoires te schrijven. Zijn uitgever, AtlasContact, vroeg het hem, in 2007. Hij had net een boek gepubliceerd over de ontvoering van Gerrit Jan Heijn. Zijn weduwe, Hank Heijn, had Verburg haar verhaal gedaan.

Verburg: „Ik zei niet meteen ja, want ik was een boek aan het schrijven over een liefdesdrama in 1942 en de hoofdpersoon daarvan zou niet lang meer leven. Na een paar dagen belde Van Kilsdonk me toevallig op. Het was vlak voor zijn negentigste verjaardag. Eigenlijk kenden we elkaar maar zijdelings. Vraag me niet waarvan, ik weet het waarachtig niet. Al vóór 1995, toen ik hem had geïnterviewd. Steeds dook hij op, kreeg ik een brief of belde hij en vroeg hij naar mijn welzijn en dat van mijn familie. En op verzoek had ik gesproken bij de onthulling van zijn borstbeeld in zijn geboortedorp. Toen vertelde ik hem over het plan. Ik dacht: als hij er geen zin in heeft, hoef ik er niet meer over na te denken. Maar hij reageerde met zoveel instemming dat ik schrok: met goed fatsoen was er geen weg meer terug.”

Van Kilsdonk begreep zijn aarzeling: natuurlijk, dat andere boek ging voor. Maar als ze nu alvast wel met de gesprekken begonnen? Zijn hart, zijn longen, zijn benen – alles was versleten. Hij zou het, dacht hij, ook niet lang meer maken.

Zelf is Alex Verburg van gereformeerden huize. Hij komt uit een gezin met negen kinderen. „Van Kilsdonk was op de uitvaart van mijn broer toen die was verongelukt. Hij was ook op de uitvaart van mijn moeder, in een rolstoel. Hij wist dat een van mijn zusjes ernstig ziek was. Hij was zelfs op het promotiefeest van mijn partner. Pater Van Kilsdonk was overal.”

Voorjaar 2007 ging Verburg bij Van Kilsdonk op bezoek in de De Lairessestraat in Amsterdam-Zuid, waar die in een huis voor „oude en uitgerangeerde priesters” woonde. De grandeur van het patershuis bij het Ignatiuscollege aan de Hobbemakade, waar hij vroeger had gewoond, was daar ver te zoeken. Het patershuis was al lang geleden gesloten en de school was verhuisd. Verburg: „Zijn kamer stond vol boeken, overal lagen paperassen. Het was er rommelig, wat smoezelig ook. Zijn rozenkrans zat in een lege jampot – ik denk dat hij die anders niet meer kon vinden. Zijn ogen waren slecht. Hij wilde dat ik zo dicht mogelijk bij hem kwam zitten. Later nam ik doekjes mee om zijn brillenglazen schoon te maken, dat scheelde een stuk. Als ik zijn kamer binnenkwam, spreidde hij zijn armen: kijk, kijk, kijk, daar ben je.”

Alex Verburg woonde lang in Amsterdam, maar nu woont hij met zijn partner – de musicoloog en muziekrecensent Eddie Vetter – in een oude boerderij tussen Hoorn en Enkhuizen, aan de oever van voorheen de Zuiderzee. Daar is het fris en opgeruimd. Alles ademt nostalgie: het graniet van het aanrecht in de keuken, het helblauw van de wanden van de vroegere kaaskamer (tegen de vliegen), het donkergroene email van de blikken voor koffie, thee en suiker, de glazen waarin hij appelperensap schenkt. Die komen nog uit de huwelijksuitzet van zijn ouders. Naast een vaas met zachtroze rozen staat een ingelijst portret van zijn moeder als jonge en mooie vrouw.

Een jaar lang ging Alex Verburg wekelijks naar Van Kilsdonk toe en hij legde de gesprekken vast op band. „Vreselijk veel werk om ze af te luisteren en er een structuur in aan te brengen, maar ik wilde de pater onversneden hebben. Zijn taalgebruik was zo prachtig.”

Van Kilsdonk was anders dan andere priesters en dat maakte hem geliefd en verguisd. Direct na zijn priesterwijding, in 1945, werd hij als aalmoezenier naar Kamp Valkenburg en Kamp Vught gestuurd, waar toen oorlogsmisdadigers waren opgesloten. Pater Van Kilsdonk stelde zich „radicaal solidair” met hen op. Als ze ’s nachts om twee uur terugkeerden van hun gedwongen arbeid, in een gesloten vrachtwagen, stond hij ze op te wachten. Dag Piet, hoe is het gegaan vandaag? Vergeving, vond hij, was de enige manier om van misdadigers weer mensen te maken. Niet dat ze niet gestraft moesten worden, maar híj hoefde daar niet aan mee te doen. Hij vond ook dat de gevangenen voor hun werk betaald moesten worden, op een rekening waar ze pas na hun detentie bij konden komen. Ze waren geen slaven.

„Het kortetermijngeheugen van pater Van Kilsdonk was niet meer altijd even goed”, zegt Verburg. „Maar verder was hij volstrekt helder van geest. Hij was kort na de bevrijding aanwezig geweest bij een executie van een ter dood veroordeelde. Alsof het gisteren gebeurd was. Het was een van de laatste executies die in Nederland ten uitvoer werden gebracht. Het was een man van een jaar of vijfendertig, hij werd voor het vuurpeloton gefusilleerd.” Van Kilsdonk was aangemoedigd om te gaan kijken door baron Frans van Voorst tot Voorst, die bij het Openbaar Ministerie werkte. Doe het, als je durft, had hij gezegd. „Hij huilde toen hij erover vertelde. Hij had het beeld nooit meer uit zijn hoofd kunnen krijgen.”

Van Kilsdonk kon ook huilen om Jan Hus die in 1415 op de brandstapel stierf omdat hij kritiek op de Katholieke Kerk had geleverd. Hij kon huilen om Johan van Oldenbarnevelt die in een machtsstrijd met prins Maurits verwikkeld was geraakt en dat ook met de dood moest bekopen. Hij werd in 1619 onthoofd. Verburg: „Voor pater Van Kilsdonk leefde het verleden alsof hij er zelf bij was geweest. Hij was een man van alle eeuwen en hij was zeldzaam humaan. De gesprekken met hem waren voor mij één lange les in eerbied en medemenselijkheid.”

Bitter was pater Van Kilsdonk over Antoine Bodar, omdat die twee priesters uit de Krijtberg had aangegeven bij de kerkelijke autoriteiten. De Krijtberg was de jezuïetenkerk aan het Singel in Amsterdam waar Antoine Bodar eerder was weggestuurd vanwege zijn orthodoxe geloofsopvattingen. De ene priester, schreef Bodar in een later uitgelekte brief, sliep ’s nachts bij zijn vriend in bed. De andere had een vriendin en een dochtertje. Verburg: „Van Kilsdonk vond het een onbarmhartige rotstreek van Bodar. Hij raakte hevig overstuur toen hij erover vertelde. Hij noemde hem een kwelradicaal. Later dacht ik wel: ik had beter moeten doorvragen. Ik had hem moeten vragen: pater, wat zou u gedaan hebben? Maar toen was hij al overleden. Ik denk dat hij zelf naar die mannen was toegegaan en ze had aangesproken op hun geweten. Hij zou ze nooit verlinkt hebben. Ondenkbaar.”

Een teleurstelling voor Van Kilsdonk was dat de Studentenekklesia uiteindelijk niet ‘de nieuwe kerkelijkheid’ geworden is waarop hij gehoopt had. De ekklesia bestaat nog wel en wordt geleid door Huub Oosterhuis, in het debat- en bezinningscentrum De Nieuwe Liefde aan de Da Costakade. Maar de diensten zijn niet meer zo druk bezocht als in de jaren zeventig en tachtig.

De laatste maanden van zijn leven bracht pater Van Kilsdonk door in het woonzorgcentrum Bernardus, vlak bij het Leidseplein. „Ik had met hem te doen”, zegt Alex Verburg. „De verzorgsters hadden geen idee met wat voor man ze te maken hadden. Hij was bang voor ze. Een keer had hij zijn stem verheven tegen een van hen omdat ze zijn medicijnen op een andere plek dan gewoonlijk had neergezet. Hij putte zich daarna uit in excuses. Ik schreeuw niet omdat ik u niet eerbiedig, zei hij. Ik schreeuw omdat ik zo mijn medicijnen niet meer kan terugvinden en ze dan vergeet in te nemen.”

Pater Van Kilsdonk stierf in zijn slaap op 1 juli 2008. Hij was tien maal zeven jaren oud, en daar nog eens drie maal zeven bovenop, schrijft Verburg met gevoel voor christelijke symboliek in zijn nawoord. De uitvaartdienst was in de Dominicuskerk – een kerkgemeenschap zonder jezuïtisch verleden. De pater heeft zijn eigen memoires niet meer gelezen.