Stimuleer economie met een groot project: inpoldering Markerwaard

De prijzen van Nederlandse landbouwgrond horen tot de hoogste ter wereld; het aanbod van boerderijen tegen betaalbare prijzen is minimaal.

De afgelopen jaren zijn tienduizenden hectaren goede landbouwgrond gebruikt voor stedelijke functies en de aanleg van van natuur- en recreatieterreinen. Het zou de overheid sieren de landbouw uitbreidingsmogelijkheden te geven.

Een goede mogelijkheid is aanleg van de Markerwaard in aansluiting op de beoogde aanleg van de Markerwadden voor natuur.

De spin-off van zo’n project is enorm. Waterbouwend Nederland kan weer aan de slag, structuurverbetering van de landbouw op het ‘oude’ land zal dan weer tot de mogelijkheden behoren door aanbod van betaalbare pacht- en eigendomsbedrijven in het nieuwe gebied. Een rendabele investering voor de BV Nederland!

In plaats van met staatssteun gefinancierde natuurontwikkeling levert deze overheidsinvestering rendement en ruimte voor natuur en landbouw op. Concreet zou van het ca. 65.000 hectare grote Markermeer een gedeelte ter grootte van 41.000 hectare omdijkt kunnen worden. Voor waterrecreatie en watervogels blijft 24.000 hectare Markermeer over, samen met het IJmeer (13.000 hectare) en het IJsselmeer (123.000 hectare) nog steeds het grootste zoetwatermeer van Europa. Zonder veel verdere kosten kan zonodig een deel van het ingepolderde gebied ter grootte van 10.000 hectare ingericht worden voor natuurontwikkeling.

Regeren is vooruitzien. Het is tijd om de Markerwaard in te polderen in het belang van economie, landbouw en natuur.

Ir. Piet van der Eijk

Bond Landpachters en Eigengrondgebruikers

Terug naar kiesstelsel van voor 1983 is bezwaarlijk

Is het politici als Wiegel, Van Mierlo en Van Thijn te verwijten – zoals Tom-Jan Meeus stelde (NRC Handelsblad, 16 maart) – dat zij, toen werd besloten de Eerste Kamer niet voor zes maar iedere vier jaar te kiezen, geen oog hadden voor de gevolgen die dat kon hebben voor de positie van de Senaat?

Dat is de vraag. De actievere rol is niet alleen terug te voeren op die wijziging.

Evenzeer was van belang dat de positie van de Eerste Kamer bij de Grondwetsherziening van 1983 onaangetast bleef.

Vanaf begin jaren tachtig veranderde bovendien het type wetgeving. Hervormingen in de sociale zekerheid zorgden bijvoorbeeld voor grotere politieke tegenstellingen in de Senaat dan tijdens de opbouw daarvan.

Ook vroegere tegenstanders van de Senaat werden er actiever. Met name het CDA van Kaland keerde zich onder Lubbers III in de Senaat tegen te hechte regeerakkoorden. De belangrijkste verandering die bijdroeg aan instabiliteit – en die konden Wiegel en anderen niet voorzien – was dat fluctuaties in het kiezersgedrag enorm zouden toenemen.

De wijziging van de zittingsduur in 1983 was een lang levende wens. De Staatscommissies-Van Schaik en -Cals/Donner adviseerden er in 1954 en 1971 vrijwel unaniem toe.

Probleem was onder meer dat Statencolleges soms in het geheel geen rol speelden bij de Eerste Kamerverkiezing, omdat er in de periode van zes jaar inmiddels al nieuwe Statenverkiezingen waren geweest.

Terugkeer naar het kiesstelsel van vóór 1983 betekent herinvoering van een stelsel waartegen grote bezwaren bestonden. Ik ben nog geen oplossing tegengekomen voor dat probleem.

Dr. Bert van den Braak

Montesquieu Instituut Den Haag