‘Schaatswereldje werd bij mij steeds kleiner’

Gianni Romme stopte in aanloop naar de WK afstanden in de olympische stad Sotsji abrupt als coach van Italië. Zeven jaar liep hij weg voor het zwarte gat. Nu is het tijd voor een pas op de plaats.

Gianni Romme. Foto AP

Of hij dit weekeinde voor de televisie zit om naar de WK afstanden in Sotsji te kijken? „Alleen als het toevallig zo uitkomt”, zegt Gianni Romme, terwijl hij een cappuccino inschenkt. „Ik ga zeker kijken naar de tien kilometer van Marco Cignini. Met hem heb ik dit jaar als coach nog mooie dingen beleefd. Harde werker, een jongen met passie. Dan maak je dus progressie. Had ik er zo maar meer gehad in mijn groep.”

Thuis bij vrouw, kinderen en hond in De Kwakel in plaats van op olympisch ijs in Rusland. Vlak voor de WK afstanden, het slot van dit schaatsseizoen, besloot Romme (40) abrupt zijn tot en met 2014 lopende contract als bondscoach van de Italiaanse ploeg in te leveren. De reden? „Ik miste bij de Italianen de passie, de toewijding. Kijk, niet iedereen heeft even veel talent. Maar ik wil als coach wel het enthousiasme er van af zien stralen, ik wil werken vanuit een intensieve sportbeleving. Zoals mijn vroegere coach Henk Gemser zei: ‘het is een voorrecht dat je dit mag doen’. Dat miste ik vaak. Het was meer van: ‘we gaan weer naar die ijsbaan, ik heb van die zere benen, coach wat moet ik doen?’ Teveel denken in beperkingen.

De tweevoudig olympisch kampioen van 1998 is zo anders gewend. „Mijn toewijding was bijna ziekelijk. Of neem de toppers met wie ik als coach heb gewerkt. Anni Friesinger, Enrico Fabris maar zeker ook Arjen van der Kieft. Zij dachten nooit in beperkingen, maar juist in mogelijkheden. Net als ikzelf. Als je ’s ochtends uit je nest kwam, stond je vaak krom van de spierpijn. Dan stond ik wat eerder op om wat extra rekoefeningen te doen. Zodat niemand zag hoe verrot ik eigenlijk was. ‘Topsport is gezond hè’, zeiden we dan op het ijs tegen elkaar. ‘Ja, ik hoop dat wij het bejaardenhuis ooit halen.’ Op zo’n toon. Niet klagen dat je poten zeer deden, maar een grap maken. Daar zit het verschil qua mentaliteit.”

Niet dat Romme – al coach sinds hij in 2006 stopte als schaatser – geen zelfkritiek heeft. „Na het eerste seizoen in Italië heb ik een fout gemaakt door teveel van mijn visie af te wijken. Het liep niet, het klopte niet. Dus je gaat twijfelen aan wat je doet en laat het afhangen van de prestaties. Fout.” En toen stopte aan het begin van het tweede jaar, in november 2011, ook nog eens kopman Fabris. „Hij was de motor in mijn team, de rest hing heel erg aan hem. Eigenlijk had ik na dat tweede seizoen moeten stoppen. Als je geen match krijgt met je atleten, staat de verkeerde persoon voor de groep.”

Dit seizoen stapelden de problemen zich op. De beleving van coach en schaatsers liepen steeds verder uiteen. „Ik wilde ook nog eens teveel mister nice guy zijn, de perfecte coach uithangen. Dat werkt niet.” Daarbij kwamen privéproblemen. In augustus overleed plotseling zijn vader, er was een crisis thuis. „Ik heb iets gedaan wat niet goed is. Mijn gezin verlaten en weggegaan. Dat had veel te maken met wat ik als coach meemaakte. Eigenlijk was ik niet eerlijk meer tegenover mezelf. Mijn passie was aan het doven. Dan zoek je andere dingen om je goed te voelen in het leven. Maar dat was gewoon niet goed.”

Met de onvrede groeide het inzicht. „Je laat alles eens terugkomen. Vanaf mijn zestiende zat ik in het gewest. Tot mijn 33ste was ik actief schaatser. Ben ik meteen doorgegaan als coach, zeven jaar lang. Tel maar op. Bijna twintig jaar in een trein die nooit stilstond. Altijd maar door, door, door. Achteraf had ik al tijdens mijn carrière meer rust moeten nemen. Gewoon één of twee keer een sabbatical, zoals Sven Kramer in 2011. Pas achteraf, ook doordat ik met toppers als Friesinger en Fabris heb gewerkt, zie ik wat een roofbouw ik heb gepleegd. Niet fysiek, maar vooral in je kop. Je trekt jezelf mentaal helemaal leeg.”

Als coach was dat niet veel beter. „Dan vraag je jezelf op een gegeven moment af of het wel normaal is om 200 dagen per jaar weg te zijn bij je vrouw en je kinderen. Nee, dat is niet normaal. Wat is nou belangrijk in je leven? Je gezin, dat is je basis. Je familie. Je voelt van binnen dat je vaker thuis wilt zijn. Dus is een pas op de plaats nu wel eens goed.”

Angst voor een leven zonder schaatsen? „Natuurlijk ben ik bang. Het zwarte gat. Daar ben ik misschien wel zeven jaar voor weggelopen. Ik ben in de trein gestapt, ook door de kans die er was met Friesinger. Doen, dacht ik, leuk. Zo was het ook, ik heb er heel veel ervaring mee opgedaan. Maar toen al vroeg ik mezelf soms af: is dit geen vlucht? Schaatsen is natuurlijk een klein wereldje, en bij mij werd het steeds kleiner. Het was niet meer te combineren met andere dingen, ik liet de balans te ver doorslaan. En als je eerlijk was, wist je dat je de laatste tijd niet eens meer je ei er in kwijt kon.”

Toch sluit Romme een vervolg van zijn trainerscarrière niet uit. „Ik ben verwend geweest met Anni. Met jonge jongens iets opbouwen is nog iets anders. Dan moet je meer je vaardigheden aanspreken als trainer. Als er straks bij het begin van het nieuwe seizoen iets komt, wil ik er best over nadenken. Maar ik zal meer overwogen beslissen dan ooit. Ik was altijd impulsief, zo is mijn karakter. Dat is mijn kracht en mijn valkuil. Maar voorlopig heb ik even genoeg valkuilen meegemaakt.”