oogheid,

Tot aan de troonswisseling staat er elke week in Opinie&Debat een Brief voor de Koning. Vandaag is hij van schrijver Philip Huff.

oals u weet, worden sommigen van ons als Prins der Nederlanden geboren, en anderen als burger met een korte achternaam. En met al onze verschillen delen we juist dit: we zijn allemaal tot onszelf veroordeeld. Niemand kan exact weten hoe het is om iemand anders te zijn. En toch: het had net zo goed anders kunnen zijn. Aan elke gebeurtenis, aan elk feit, aan elke eigenschap die ons is toebedeeld, kleeft iets toevalligs. Tegelijkertijd heeft die toevallige samenloop van omstandigheden verstrekkende gevolgen: als de blauwdruk er eenmaal ligt, staat de uitkomst grotendeels vast. Er schuilt een zekere wreedheid in deze toevalligheid: ze sluit ons op in onze kenmerken, in ons wereldbeeld, ze beperkt onze keuzemogelijkheden.

En dat is oneerlijk.

Ik heb vrienden die zeggen te weigeren u ‘koning’ te zullen noemen. Ze vinden het onzin dat er in een democratie nog prinsen geboren kunnen worden. Wel willen ze graag geïntroduceerd worden als stem van een generatie, omdat ze toevallig op de wereld zijn gezet in het postcodegebied van het Barlaeus Gymnasium, en hebben ze geen problemen met de aanhef van weledelgeleerde heer, omdat ze gezegend zijn met een goed stel hersenen. Dan heb ik het nog niet eens over hun stilzwijgende instemmen met de illegale status van getalenteerde, hardwerkende mensen die hier willen wonen en werken maar toevallig niet in Nederland of een ander Europees land geboren zijn.

Het zijn allemaal conventies, constructies, gebaseerd op the whims of the great magnet. Ik denk steeds vaker dat gratie slechts bestaat in de manier waarop wij omgaan met wat ons volstrekt arbitrair is gegeven. Gratie op haar beurt, om de Amerikaanse auteur Norman MacLean te citeren, komt weer voort uit kunde en kunst. En kunde en kunst, die verkrijg je niet gemakkelijk.

Het afgelopen jaar heb ik mij beroepshalve enigszins verdiept in uw positie, voor een verhaal dat in mijn nieuwe boek Goed om hier te zijn zal verschijnen. Een substantieel onderdeel van het werk van een schrijver is zich verplaatsen in de ander: de wereld vanuit het perspectief van een ander bekijken, de toevalligheden en hun gevolgen ervaren, en die vervolgens onder woorden brengen, invoelbaar maken. Dagen, weken, maanden, soms ook jaren, houdt de auteur zich bezig met een leven dat het zijne niet is, heeft hij gedachten en gevoelens die de zijne niet zijn, maar dat langzaam wel worden. En op een dag weet je niet langer hoe je niet een corpsbal moet zijn, of merk je dat de gevoelens van je karakter jouw gevoelens worden: je voelt dat je langzaam verwijdert van degenen die je lief hebt, of je voelt je aangetrokken tot dat jonge meisje in het trappenhuis, je gaat een afgunst voelen voor het koningshuis die je tot nog toe niet kende.

Je loopt tegen de grenzen van een mensenleven aan. En die kunnen frustrerend zijn.

Ik geloof dat het – ter bevordering van een zekere gemoedsrust – verstandig is dat men weigert zich bezig te houden met de vraag of de arbitraire verdeling die onze levens voor zo’n groot deel bepaalt, terecht is of onterecht: gerechtigheid is een fictie. Waar het om gaat, is ‘goed’ te handelen binnen de contingente omstandigheden. Geluk en voorspoed delen, dus pech dempen – en proberen de ander te begrijpen en binnenboord te houden in plaats van buiten te sluiten en uit te buiten.

Gratie, kortom, is met kunst en kunde een menselijk narratief leggen op de willekeurigheid van de natuur.

Ik koester niet de pretentie te kunnen suggereren hoe u uw koningschap moet invullen, laat staan dat ik u zou willen adviseren hoe u uw leven moet leiden. Ik geloof niet dat ik weet hoe het leven werkelijk voor u moet zijn, daarvoor heb ik me te weinig in u verdiept. Dat is geen desinteresse. Mijn werk bracht mij elders. Wel geloof ik dat het voor iedereen, en dus ook voor u, zinvol zou kunnen zijn zich af en toe het leven van een ander te verbeelden, zich erin te verdiepen. De grenzen te verkennen. Het is goed de simpele elegantie te betrachten meer dan onszelf te willen zijn.

Dit land, met al zijn constructies, conventies en toevalligheden; met zijn zondagmiddagen vol regen, cafés met kinderen en dronkaards, woonwijken met oranje vlaggetjes, dierentuinen met olifanten inzamelprojecten en chesterfieldbanken en moskeeën, behoort toe aan de mensen die er wonen en het vormgeven. Zo bezien behoort uw achternaam u evenveel toe als iedere inwoner van dit land. Maar de omstandigheden willen dat u, meer dan ieder ander, in de positie bent die naam te vervullen. Ik wens u derhalve veel voorspoed, wijsheid en geluk toe in uw koningschap. Moge God u en uw familie veel gezondheid en geluk schenken – en ik hoop dat u mij toestaat daar aan toe te voegen dat Hij hopelijk ook de rest van ons niet vergeet.

Hartelijke groet,

Philip Huff