Oog in oog met elanden

In het Zweedse Jämtland voelt de stadsmens zich een oerman. Hij eet er korstmos en vlucht voor beren.

In Jämtland moet je af en toe een overstekende eland ontwijken. Maria Emitslöf

Het vliegveld van Trondheim is klein, overzichtelijk en vriendelijk. Aandoenlijk bijna. Ik pik mijn gastvrouw er zo uit; Eva is de enige in de aankomsthal die iemand ophaalt. Een poppetje met grote blauwe ogen dat net zo lief oogt als het Zweedse goedendag (een dubbele „Hi hi”) klinkt. We wisselen beleefdheden uit. Hoe de vlucht verliep. Hoe haar weekend was.

„O, gewoon”, antwoordde ze. „Mijn man heeft een paar rendieren geschoten en die heb ik gevild, schoongemaakt, in stukken gehakt en ingevroren.”

Hoe lieflijk alles en iedereen ook lijkt in Jämtland, het natuurgebied in het midden van Zweden, er zijn hier nog oerdriften die wij al lang kwijt zijn. Wie honger heeft, schiet zijn eigen vlees, plukt zelf de bessen uit het bos, maakt kaas van geitenmelk en verwerkt de schors van een berk tot borrelsnack. Ze branden hun eigen koffiebonen, stoken hun eigen sterke drank, vissen hun eigen vis, breien hun eigen trui, wassen zich met zelfgemaakte geitenzeep (wat prachtig heet: handgjord getmjölkstvål). Wie de plaatselijke gelei van denneappels heeft geproefd, wil nooit meer anders.

Eva bestuurt de fourwheeldrive door dikke lagen sneeuw, hier en daar een overstekende eland ontwijkend.

’s Winters is dit een bijzonder wintersportgebied met heel veel, zij het niet al te hoge, bergen. Het is wijds, heel anders dan de vaak benauwende bergdorpjes in Midden-Europese berggebieden. Ruimte genoeg om te snowkiten op de grote sneeuwvlakten. Door de uitgestrektheid en de vele skihellingen zijn hier nooit rijen bij de skiliften.

In de zomer is Jämtland een wandelmekka waar je dagen aaneen kunt lopen, van de ene hut naar de andere. Overal in de bergen staan kleine houten huisjes met kachel, houthaard en bedbank. Ze zijn gezamenlijk bezit van de dorpen, ze zijn nooit op slot en – o, paradijs! – worden altijd kraakhelder door de gebruikers achtergelaten, nergens graffiti, nergens ook maar een vork ontvreemd of een deken bezoedeld. Van hufterproof hebben ze hier nog nooit gehoord. Bij gebrek aan hufters. Dat is dan ook een van de redenen waarom we hier naartoe wilden: niet alleen de afwezigheid van hufters, maar van mensen in het algemeen. Het is er rustiger dan in elk ander Europees vakantiegebied, stiller ook, en weidser. Dat leek me een verademing. Tijdens een tocht door de bossen bijvoorbeeld, kom je helemaal niemand tegen.

Ik doe dat per sneeuwscooter – dat dan weer wel. Beetje dat James Bondgevoel, keihard manoeuvrerend tussen de naaldbomen, achter me een spoor van stuifsneeuw. Gids Per vertelt over de beren in het bos, daar wemelt het van, grote bruine beren van de hongerige soort. Gelukkig is het winter en doen ze een winterslaap, praat ik mezelf hardop moed in. „Inderdaad”, zegt Per, „dat zou je denken. Maar hier houden ze geen winterslaap.”

De rest van de tocht voel ik me meer Roodkapje dan James Bond.

In Are, het belangrijkste wintersportdorp van dit gebied, is alles van het rendier dat niet gegeten wordt te koop: rendierjassen, rendierwanten, rendiergeweien, mokken van rendier, rendiersleutelhangers, rendierarmbanden.

De lichten gaan aan op de berg en het nachtskiën begint, een geweldig spektakel, met een beetje geluk verrijkt met het fameuze noorderlicht. Je kunt hier overnachten in een iglo, in een rendierslaapzak, met rendiersloffen naast het bed voor het nachtelijke plasje (de wc is buiten). Een ijskoud avontuur. Vooral leuk voor de kinderen. Gelukkig heb ik geen kinderen en overnacht ik warm in Copperhill Mountain Lodge, een onverwacht fantastisch designhotel van architect Peter Bohlin (architect van zowel het huis van Bill Gates als van de Apple Stores), met spectaculaire moderne kunst, fabuleuze zwembad en spa, en een majestueuze, compleet uit koper opgetrokken hal (ooit was hier een kopermijn). Veel meubels van Marcel Wanders, onze nationale interieurtrots.

Gefermenteerde zeug

Natuurlijk eet ik ’s avonds bij Fäviken Magasinet, the place to be in de regio, van chef Magnus Nilsson, de beroemdste kok van Zweden, de man die het oergevoel, de nieuwste culitrend, op tafel brengt. Compromisloos. Rauw en ruig. Alles komt uit de regio. Ranzige boter, gerookt korstmos met het schaafsel van een gefermenteerde zeug op basis van varkensbloed en roggemeel. Twee stoere hulpkoks zagen een koeienpoot door, pal naast je tafel, als zaagden zij een boom om, en schrapen het merg eruit. Koeienhart. Geblakerde kool op houtskool opgediend. Eendenlikeur. Gerookte berkenboomschors (smaakt naar teer). In kalfsleb gestremde kaas. Als ik de wijn te zwaar vind, doet de sommelier letterlijk een plens water bij de wijn. Weg met de wijn- en spijsprincipes. Uit de hele wereld komt men speciaal hiervoor naar Are. Een sensatie.

Jämtland is voor een deel Samiland. Een stuk Lapland eigenlijk, land van de Lappen (eigenlijk een scheldwoord). Sinds enige decennia strijden ze – deels succesvol – om behoud en teruggave van hun eeuwenoude Samicultuur. Zo behoren tegenwoordig alle rendieren in Zweden weer aan de Sami. Een erfenis uit de tijd dat ze als nomaden door Scandinavië trokken. Even buiten Are zijn enkele Saminederzettingen nagebouwd, met die typische woontenten, waar toeristen kunnen lassowerpen en rendieren aaien. Nogal kitscherig. Wel leuk is het om er te overnachten in een van de blokhutten, aan de oever van een groot meer, waar gekajakt, gezwommen en gevist kan worden.

En dan is er Leif Wikner. De plaatselijke paradijsvogel, houtkunstenaar en wereldberoemd in de regio. Het Zweedse koningshuis komt geregeld in zijn houtfabriekje annex kunstgalerie. Wikner, tegen de tachtig, een mix van Paulus de Boskabouter en Donald Trump, gelooft in bosnimfen en natuurgeesten en snijdt deze in ontelbare, heerlijk geurende houtsoorten. Zijn favoriete item is het ei, bron van leven en mysterie, dat hij voor je neus (hij met stofbril op, ik de rondvliegende houtschilfers ternauwernood ontwijkend) uit een blok hout snijdt. Hij heeft er een imperium mee opgebouwd dat almaar uitdijt, met boeken, cd’s en televisieprogramma’s. „Het leven is een ei”, orakelt hij. Aandringen wat hij daarmee bedoelt leidt tot niets. Hij spreidt dan zijn armen, kijkt je diep in de ogen en herhaalt zijn wijsheid zo intens dat je denkt, die man heeft gelijk. Het leven is een ei.