Column

Karin

IIk heb een nieuwe auto. Het is er een met alles erop en eraan. Je kunt er alleen niet in douchen. Vooral van de GPS met spraakherkenning werd ik gisteravond erg vrolijk.

Je noemt land, stad en straat en een alleraardigste Karin wijst je de weg. Karin en ik moeten nog wel een beetje aan elkaar wennen. Ze verstaat me niet onmiddellijk. Ik moet veel herhalen. Of dat er droevig uitziet? Dat ziet er heel treurig uit. Ik begon met een zacht Hasselt, zei dat wat harder toen ze mij meldde dat ze me niet verstaan had, articuleerde het de derde keer bijna spastisch en zat na de zevende keer als een ontsnapte gek te krijsen.

„HASSELT!!!!!”, hoorde ik mezelf na de twaalfde keer radeloos schreeuwen. Inmiddels heb ik door dat ik het ook gewoon ouderwets letter voor letter kan invoeren en bij HAS weet Karin al dat ik naar Hasselt moet. Vrees dat ik het voortaan zo ga doen.

Droomde afgelopen nacht natuurlijk wel over de pratende auto. Karin ging na een voorstelling met me in discussie. Ik zei dat ik naar Utrecht wou omdat ik daar de komende week speel, maar Karin weigerde en begon over thuis. Dat ik daar al twee weken niet was geweest en dat mijn vrouw mij vaker op de televisie zag dan gewoon live. Ik zei tegen Karin dat zij zich daar niet mee moest bemoeien, dat ik al bijna veertig jaar een theaternomade ben en dat men thuis niet beter weet. Volgens Karin werd het tijd dat ik dat dan ging veranderen.

Ik schreeuwde Utrecht, maar Karin sprak zeer gedecideerd dat we naar huis gingen. Omdat daar het haardhout op was, de cd’s nog steeds niet op alfabet stonden en dat mijn vrouw wel wat aandacht en tederheid kon gebruiken. Ik vroeg waar ze zich in godsnaam mee bemoeide, waarop ze zei dat ik dat ook altijd deed. Ik tetterde in het theater en in mijn columns ook maar tegen iedereen hoe hij moest leven.

Ik zette de radio harder om op de hoogte te blijven van het bankroet van Cyprus en Veendam, het kapotte Syrië en zijn jihadstrijders, de kalfslederen reetvetervoorraad uit de failliete boedel van bejaardenvoorman Henkie Krol, Yunus en zijn potjes, de gezondheid van Gordon, de knuffelpaus, de tongzoenzelfmoord. Maar Karin zette de radio uit en begon me uit te kafferen dat ik me niet altijd moest onderdompelen in de waan van de dag en dat er meer was tussen hemel en aarde. Ik zei dat ik oud en wijs genoeg was om te bepalen waar ik heen ging en dat dat Utrecht was.

„We gaan naar huis”, zei Karin. Toen werd ik bezweet wakker. De televisie stond nog aan. Een blije televisieproducent vertelde over het internationale succes van zijn duikplankprogramma. Ook Chinese, Koreaanse en Mexicaanse Patty Brardjes laten zich nu onder luid gejuich te pletter vallen.

Als dit geen voorbode van een gigantische wereldoorlog is, dacht ik somber en keek naar buiten. Daar stond mijn auto. Mijn spiksplinternieuwe auto, de vervanger van mijn vorige week overleden bolide. Na 376.000 kilometers hield hij er mee op. Had hij maar kunnen praten. Dan had hij misschien wel om euthanasie gesmeekt. Nu moesten zijn waarschuwingslampjes het zeggen. En die zeiden het ook. Met zijn allen tegelijk. Het dashboard was een romantische kerstboom. In één keer was alles stuk.

376.000 kilometers in een auto. Hoeveel uur is dat? Hoeveel dagen heb ik in dat kreng gehangen? Ik durf het niet uit te rekenen. Doodsbang dat ik bodemloos depressief word. En niet met mijn auto kunnen praten. Gewoon al die tijd gezwegen als een getrouwd stel.

Maar nu keek ik naar mijn nieuwe waar ik weer een dikke 300.000 kilometer in hoop te wonen. Hij glom trots in de Belgische nacht. En de eerste avond al gedoopt. In Brussel stond een zwerver er stevig tegenaan te pissen. Ik zag dat toen ik uit het theater kwam en moest daar hartelijk om lachen.

Een heel dure auto en een pissende zwerver, die alle tijd had. Hij had absoluut geen haast. Waarom ik er om moest lachen? Gewoon, omdat ik het zo verschrikkelijk met hem eens was. En hij is grappiger dan die gek uit Emmen.