Je hoeft die goedkope broden niet te kopen...

Net als in Coetzee’s nieuwste boek pleit Marjoleine de Vos voor een wereld waarin minder en beter wordt geproduceerd. Veel en goedkoop is aantrekkelijk noch vanzelfsprekend.

Simón, een man van middelbare leeftijd, is met een schip in zijn nieuwe land gekomen. Hij verblijft een poosje in een opvangcentrum, leert Spaans en vraagt om werk. Ga maar in de haven kijken, zeggen ze tegen hem.

Dat doet hij. In de haven, uitgestrekte terreinen, vele kaaien, is het uitgestorven. Slechts op één kaai is bedrijvigheid, daar wordt een vrachtschip gelost. Hij kan er aan de slag als stuwadoor. Dat doet hij: elke dag sjouwt hij, net als zijn nieuwe collega’s, zware zakken graan het ruim uit en legt die op een kar die door twee paarden getrokken wordt en die het graan naar een pakhuis brengt.

Over Simón, de hoofdpersoon in de nieuwe roman van J.M. Coetzee De kinderjaren van Jezus, weten we niet veel. Dat is ook niet de bedoeling, in het nieuwe land waar hij aangekomen is, dient men zijn herinneringen te vergeten en opnieuw te beginnen. De mensen zijn er ‘schoongewassen’. Hun oude leven, hun oude zelf, hun geschiedenis hebben ze achter zich gelaten. Het hele land lijkt wel zonder geschiedenis en buiten de tijd. Op de radio klinkt er bijvoorbeeld nooit nieuws. Als Simón daarover tegen een collega zegt dat je zo niet weet wat er gaande is in de wereld, vraagt die collega met ongeveinsde interesse: „Is er wat gaande dan?”

Simón is blijkbaar niet helemaal schoongewassen. Hij denkt en vraagt dingen die de anderen niet denken en vragen. Bijvoorbeeld waarom er in de haven geen kraan gebruikt wordt. Een kraan zou het werk tien keer zo snel doen.

„Wat zou het voor zin hebben dingen tien keer zo snel voor elkaar te krijgen?” vraagt de voorman. „Er is geen sprake van een noodtoestand, voedseltekort bijvoorbeeld.”

Nou, zegt Simón, dan zouden wij sjouwers onze tijd anders, beter kunnen besteden. „Beter dan wat? Beter dan onze medemens van brood voorzien?”

Het is duidelijk dat de gedachte, die ongeveer iederéén zou denken, dat het ook wel wat makkelijker en sneller kan, in het nieuwe land helemaal niet vanzelfsprekend is.

Ook vraagt Simón een keer waarom het op de andere kaaien altijd zo uitgestorven is. Dat is, zo luidt het antwoord, omdat ze daar andere ladingen aanvoeren. IJzer en zo. En daar is veel minder van nodig. „Je hebt niet elke dag een nieuwe fiets nodig. Je hebt niet elke dag nieuwe schoenen nodig of nieuwe kleren. Maar je moet wel elke dag eten. Dus hebben we een hele hoop graan nodig.”

Het klinkt logisch, maar wie aan de Kalverstraat denkt, of aan welke andere winkelstraat dan ook, moet wel constateren dat deze logica niet opgaat. Die straten zitten tjokvol winkels met kleren en schoenen. Spullen waarvan we niet steeds nieuwe nodig hebben. Maar dat gebrek aan noodzaak is blijkbaar geheel onbelangrijk.

Dat weet je ook wel, want wij zijn niet schoongewassen. We weten best dat ons soort economie draait om het bevredigen van allerlei niet noodzakelijke behoeftes. Het woord ‘noodzaak’ heeft maar een heel marginale plaats in de economie. De tegenwerping die je vaak hoort, dat allerlei spullen niet nodig zijn, dat meer rijkdom niet nodig is, dat we eigenlijk genoeg hebben, klinkt eerder drammerig dan realistisch. Mensen die zulke dingen zeggen begrijpen ‘de economie’ niet. Of ze begrijpen ‘de mens’ niet.

In Coetzee’s boek ben je in een land terechtgekomen waar niemand de economie begrijpt. Je werkt, je draagt iets bij, je verdient, je kunt daarvan leven – dat is het. Meer is niet nodig. Er is alle reden tevreden te zijn. Zo is de mens daar.

Maar Simón is niet tevreden, evenmin als wij dat zouden zijn. Hij vindt het leven in dat land bloedeloos, juist omdat er alleen maar is wat noodzakelijk is. Er is bijvoorbeeld eten, dat tot niets anders dient dan je voeden. Zout is er niet. Ironie ook niet.

Het sjouwwerk is misschien in een bepaald opzicht goed en belangrijk, maar het is ook dom, al zegt Simón dat niet zó onomwonden tegen zijn aardige collega’s met wie hij lange filosofische gesprekken voert over het nut van arbeid. „De geest van de agora”, zegt de voorman dan tevreden. Onontwikkeld zijn ze allemaal niet, wel zijn ze als het ware bevrijd van verlangens.

Op een dag komt er toch een kraan in de haven. Meteen bij de eerste keer graan hijsen gaat er iets mis door de onervarenheid van de kraandrijver, en Simón wordt van het schip af geslagen. De voorman redt hem. Einde van de kraan. „Kranen zijn altijd al een slecht idee geweest”, zegt de voorman.

Het is duidelijk dat in dit denkbeeldige land van een heel ander mensbeeld uitgegaan wordt dan in onze wereld. Snelheid, concurrentie, verandering – dat zijn geen begrippen die veel enthousiasme te weeg brengen. Wel kameraadschap, tevredenheid, geestelijke ontwikkeling – veel mensen gaan naar een soort instituut dat cursussen geeft. Cursussen filosofie en allerhande kunstnijverheid: bloemschikken, tekenen enzovoort. Kunstcursussen zijn er niet.

Simón, die erg op een van ‘ons’ lijkt, nog niet verlichte geesten, bevredigt het allemaal niet. Maar hij kan zijn onvrede moeilijk kwijt, net zoals je zelf niet meteen weet wat je tegen zoveel tevredenheid in zou willen brengen. Je komt niet veel verder dan: zo zit de wereld nu eenmaal niet in elkaar. Op een dag komt er wel iemand met een kraan en die lost het schip veel sneller en kan een lagere prijs vragen en die krijgt dus meer werk en enzovoort.

Zo vanzelfsprekend is dat, dat je er nooit over nadenkt, waardoor deze romanwereld heel bizar aandoet. Maar in een interview met deze krant zei Quirijn Bolle, oprichter van de Marqt-supermarktketen: „Nu is het voordelig om een machine die wordt bediend door twee technici vijfduizend broden per uur te laten uitspugen. Ik denk dat het voor de samenleving in alle opzichten beter is als je twee bakkers zeshonderd echte broden per dag laat bakken.”

Dat is geen wezenlijk andere gedachtegang dan die van de arbeiders van Coetzee. Maar hij wordt wel geuit door iemand met een onderneming die het goed doet in een kapitalistisch systeem.

Natuurlijk is die wereld van Coetzee een romanwereld, en probeert de schrijver er dus dingen in uit: wat nu als de mensen echt, zoals allerlei wijsheidsleren en geloven graag willen, verlost zouden zijn van hun hartstochten en behoeftes? Wat als ze vooral geestelijk voedsel willen, als ze elkaar echt met ‘liefdevolle welwillendheid’ zouden bejegenen? Zou de wereld dan niet reusachtig saai worden? Zou de geschiedenis, ooit al beëindigd verklaard, dan niet écht tot stilstand komen? (Ik laat een ander deel van de roman, het verhaal van de jongen David, nu maar even buiten beschouwing.)

Toch zou het ongetwijfeld voor de samenleving in alle opzichten beter zijn als die twee bakkers echt brood bakten, in plaats van die machine. ‘Echt’ brood, smakelijk, zonder kleurstoffen, zonder broodverbeteraars, zonder snelrijsmiddel. Het is niet perse zo dat we dan brood te kort zouden komen: er zouden meer bakkers kunnen werken, en er zou véél minder brood weggegooid kunnen en hoeven worden. Per jaar gooien we per persoon 50 kilo voedsel weg, waarvan brood een belangrijk onderdeel is. Ik heb filmpjes gezien van bakkers die hun ovens stookten op brood van de vorige dag – omdat er altijd teveel wordt gebakken, omdat supermarkten altijd de schappen vol willen hebben liggen. Anders kopen de mensen niet. Pure verspilling, in onverhulde vorm. Dat klinkt een stuk vreemder dan de tevredenheid uit Coetzee’s roman.

Wat minder maar beter produceren is geen utopie van alleen maar Quirijn Bolle. Bij veel familiebedrijven doen ze het ook zo. Volgens deze krant doen dergelijke bedrijven het in tijden van crisis beter dan beursgenoteerde ondernemingen. Het wordt daar belangrijker gevonden om de mensen aan het werk te houden dan om meteen te bezuinigen als het even niet zo voorspoedig gaat. Dan is de winst maar iets minder groot.

Je zou het bijna vergeten, maar economische modellen gaan ook uit van een bepaald mensbeeld. Het is geen natuurwet dat mensen altijd beter door machines vervangen kunnen worden, dat goedkoop produceren ontzettend veel beter is dan kwaliteit leveren, dat we perse geld over moeten houden om overbodige nieuwe schoenen te kunnen kopen en dat de enige manier om de verveling te bestrijden het kopen van nieuwe spullen is.

Niemand wil een wereld waarin je wordt voorgeschreven wat je mag kopen en wat niet, en waarin je behoeften van hogerhand bepaald zijn. Daar zijn voorbeelden van geweest, en die hebben niemand vrolijk gestemd. Maar een wereld waarin we onszelf en elkaar moeten wijsmaken dat het niet anders kan dan dat veel mensen werkeloos zijn omdat anderen met de verkoop van kwalitatief beroerde, maar zeer goedkoop geproduceerde spullen, heel rijk moeten worden, is ook niet zo aantrekkelijk. Noch vanzelfsprekend.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad