'Ik ben te romantisch'

David Endt is teammanager van Ajax en de intellectueel van de club. Schrijven is zijn liefde. Bij een krabsoep zegt hij: „Voetbal neigt naar iets seksueels.”

Diep in het DNA van voetbalclub Ajax schuilt een intellectueel. David Endt (59), supporter, speler, persvoorlichter en de laatste 22 jaar teammanager van het eerste elftal. Maar hij is ook schrijver van columns, boeken en verhalen. Een voetbalpoëet. De spelers noemen hem De Neerlandicus, ook al kwam hij nooit verder dan de havo. In een stijl die hij zelf geëxalteerd noemt bejubelt en bewierookt hij alle voetballers van formaat. Dat de liefde van één kant komt, neemt hij voor lief. „Ik word sporadisch door spelers gelezen. Als er twee ooit iets over hebben gezegd, is het veel.”

We spreken af in het Olympisch Stadion. Een vesting, zegt hij, die hij als jongetje meermalen zonder betaling heeft overwonnen. Vanuit het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart, waar hij woonde, kon hij de gloed van de lampen boven het veld zien als er een avondwedstrijd werd gevoetbald. Zijn vriendjes en hij werden erdoor aangetrokken als „motten door het licht”.

Tegenwoordig zit er een restaurant in het stadion. Wapperende velours gordijnen voor de ingang. Daar is hij. In de verte zie ik gelijkenis met Diego Maradona, de Argentijnse topvoetballer. Klein, compact, springerige bruine krullen. Man van bijna zestig die giechelt als een jongetje. Die gaat zitten en eerst mijn doopceel licht. Bruine ogen die peilen. Af en toe steekt hij zijn hand over tafel en legt die op de mijne. Kort lichaamscontact. Terloops, maar veelzeggend. Vertrouw me maar, zegt hij zonder woorden. Dan vertrouw ik jou ook.

Hij wil niet meer dan een soepje. Thee. Een glaasje water. Was de lunch gisteren zo copieus?, vraag ik. Maandagmiddag vierde Ajax haar 113e verjaardag met een etentje. Nee, nee, zegt David Endt. „Ik voel dat mijn lichaam nu even toe is aan wat matigheid.” Vijf jaar geleden kreeg hij een hartaanval. Om half zes ’s avonds in de fitnessruimte van de Arena. Toen heeft hij zich voorgenomen beter op zichzelf te letten. „Ik ben zeven dagen per week op de club. Nu, met de kwalificatieronden voor het Europees Kampioenschap waaieren de spelers uit naar hun eigen nationale teams. Even heb ik rust.”

Wat is een teammanager precies?, vraag ik. Hij giechelt. „Voor ik het was, bestond het nog niet. En toen ik het was, was er behoefte aan.” Louis van Gaal, nu bondscoach van het Nederlands elftal, toen trainer, vroeg hem. „Ik was vanzelf al zo’n beetje in die rol gegroeid. Ik liep al jaren rond als perschef. Hij vroeg me nog wat dichter op het elftal te zitten. Hij had behoefte aan iemand die de jongens een beetje kon sturen, een vertrouwenspersoon.” Want dat was Van Gaal niet? In gedachten zie ik de trainer zoals we hem van televisie kennen. Kort aangebonden, ongeduldig, explosief. „Hij kon het wel zijn, maar niet in zijn positie. Een trainer is de boeman. Hij bepaalt wie speelt en wie niet. Dan kun je niet tegelijkertijd de man zijn die begaan is met het persoonlijk leven van een speler.”

Van Gaal en hij kende elkaar nog van vroeger. Nou ja, kennen, kennen. „Hoe goed ken je elkaar? Je ziet elkaar spelen, praat even in de kleedkamer. Je hebt een indruk.” Van Gaal speelde in 1971 in het tweede elftal van Ajax. David Endt zat bij de junioren, wat nu Jong Ajax is. Eén wedstrijd speelden ze samen. „Voor Louis de laatste, voor mij de eerste bij het Amsterdamse walhalla.” Louis, zegt David Endt, heeft goed gezien waar ik goed in was. Wat zag hij dan? „Ik kan een team helpen maken.” Als voetballer was hij ook een teamspeler. „Ik was een genereuze speler. Het bindmiddel. Ik offerde me op.” Jongens die zijn zoals hij was, vallen hem direct op. „O ja, denk ik dan. Jij bent er zo een. Jij zit karakterologisch zo in elkaar.”

Hoe is dat dan? Zijn zoon Jona, hij is 14, is precies zoals hij was. Timide. „Ik had niet het rotsvaste vertrouwen dat ik goed was. In het veld had ik de overgave, de felheid, de wilskracht. Maar ik was niet zo begaafd. Ik was gericht op de harmonie van het collectief. Te romantisch, te bescheiden, te speels.” Hij miste, zegt hij, de meedogenloosheid om topsporter te kunnen zijn. „Topsport is een wankel evenwicht. Het vereist een egocentrisme dat grenst aan egoïsme.”

Hij pampert nu elke dag elf van die egoïstjes, zeg ik. Weer die korte giechel. „Er is een verwendheidsfactor, dat is zeker waar. Die jongens leven een luxe leven, zonder het altijd te beseffen. En soms moet je er paal en perk aan stellen. Ik ben er niet alleen om te pleasen.” Hij regelt de praktische zaken van het team, stelt het weekrooster op, neemt de buitenlandse spelers onder zijn hoede. „Het is een tijdje mode geweest ze onder te brengen in Diemen-Zuid. Nu is Amsterdam-Zuid populair. En een jongen als Siem de Jong wil juist midden in de stad.” En dan zo snel mogelijk aan de vrouw en kinderen? „Nee, zo werd er vroeger gedacht. Een gereguleerd gezinsleven zou zorgen voor stabiele spelers. Nu willen we gewoon dat ze zich gelukkig voelen.” Hoe weet hij of ze gelukkig zijn? „Kijken, voelen, luisteren.” Hij wrijft zijn duim over zijn vingers, alsof hij een kruid verpulvert. „In het Italiaans noemen ze dat fiuto. Fingerspitzengefühl.” En wat voelt hij zoal? Hij slaakt een zucht. „Heimwee, de kat is dood, liefdesverdriet. Vaak boosheid omdat ze niet worden opgesteld. Ik ben de sluis tussen hen en de staf.”

Afgebleekt

Hij doet voor hoe zijn empathisch vermogen werkt. Hoe gaat het? Goed? Oké. Maar, zeg eens, hoe gáát het?” Hij herinnert zich Søren Lerby en Frank Arnesen. Deense jongens die met hem in Jong Ajax speelden. „Nog maar net achttien en dan zo ver van huis. Ik was niet veel ouder en kon me voorstellen dat ze het zwaar hadden.” Hij nam ze mee naar huis. Naar zijn moeder. Zijn ouders waren net gescheiden, en hij woonde met zijn acht jaar jongere broertje bij haar. „Ik heb me slecht verdiept in wat er thuis aan de hand was. In mijn omgeving was je een uitzondering als je ouders niet scheidden. Ik was gefocust op voetbal. Dat is mijn vangnet geweest. Ik rookte niet, ik dronk niet, ging vroeg naar bed. Mijn broertje had dat niet. Voor hem werd het leven een stuk ingewikkelder.” Zijn moeder komt uit Suriname. Ik probeer verbaasd iets Surinaams in hem te zien. „Ze komt uit Albina, hoofdstad van het district Marowijne. Ze is niet heel zwart, eerder indiaans. Toen ze in Nederland ging wonen – ze had al een zoon van vijf – is ze flink afgebleekt.” Ze trouwde zijn vader, Enno Endt. Toen leraar Nederlands, later docent Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en groot kenner van de dichter Herman Gorter.

Joods?, vraag ik voorzichtig, wetend hoe gevaarlijk het is Ajax en joods in een adem te zeggen. „Niet echt.” Hij noemde u wel David?„Misschien vond hij dat een mooie naam. Mijn broertje heet André. Dus. Het speelde geen rol. Zoals het ook geen rol speelde dat mijn moeder en halfbroer een andere kleur hadden.”

Las uw vader wat u schreef?

„Ik stuurde hem als eerste mijn column voor dagblad Het Parool. In de kantlijn krabbelde hij met potlood correcties. Vol warmte en heel liefdevol, maar altijd kritisch.”

Voetbalde hij ook?

„Voetbal zat niet in zijn pakket. Maar hij begreep mijn passie. Hij liet me begaan. Misschien had hij wel andere verwachtingen van me.” Wat dan? „Nou ja, wat mijn oudste dochter doet. Studeren.” David had alleen interesse voor Inter, de voetbalclub uit Milaan. Kende alle spelers, tegendoelpunten en wissels uit zijn hoofd. „Mijn vriendjes verklaarden me voor gek.” Zijn dochter van 11 is AZ-fan sinds haar vierde. „Bij Ajax zeggen ze: ‘daar moet je eens wat aan doen.’ Ik vind het juist mooi, dat dwarse.”

Enno Endt heeft zijn zoon één keer zien spelen. „Achteraf vind ik dat best een beetje gek.” Hoe kwam het dan? „Valse schaamte.” Schaamte voor zijn voetballiefde? „Nee, voor mijn vader. Ik was bang dat hij anders zou reageren dan de gemiddelde voetbalouder. Ik deed altijd heel nonchalant, dat hij heus niet hoefde te komen. Ik dacht dat mijn vrienden anders tegen me aan zouden kijken als ze wisten hoe mijn vader was.” Hoe was hij dan? „Ja, nou ja. Een intellectueel.”

Nu is David de intellectueel van Ajax. Voetbal, zegt hij, is geen kunst. „Maar je kunt er wel naar kijken alsof het kunst is en er zo over schrijven.” Dus schrijft hij over spelers die ‘verwondend zijn als prikkeldraad’, ‘liplikkend zoet als confiture’. Mannen die ‘winstplicht hijgen’ en ‘bloed ademen’. Ik weet dat hij een vrouw heeft, maar dit klinkt toch nogal homo-erotisch. „O tuurlijk,” zegt hij plompverloren, alsof homoseksualiteit helemaal niet het grootste taboe van de voetbalkleedkamer is. „Voetbal is de metafoor voor onverwoestbare liefde. De mooiste relatie is die tussen een man en de bal. Omdat het spel door mannen samen wordt gespeeld, neigt het naar iets seksueels.”

Hij glimlacht. Schudt meewarig zijn hoofd. „Ik hoor mezelf en denk: heb je hem weer met zijn pathos, zijn lyriek, zijn arabesken.” Een arabeske is een sierlijk vertelvorm. Zijn liefde voor voetbal heeft de nodige „schaaf- en schuurplekken” opgelopen. „De voetbalwereld is van een ongelooflijk opportunisme. Winst en winnen is belangrijker dan de zuiverheid van het spel.” Nu is schrijven zijn grootste liefde. Waarom, vraag ik, wijdt hij zich er dan niet volledig aan? „Ik kan wel dromen over een leven der letteren, maar er moet ook gewoon brood op de plank.” Natuurlijk zijn er momenten geweest dat hij dacht aan opstappen. „Maar er is geen markt voor mensen zoals ik. Ik zou hetzelfde werk ook bij een club in Twente of Rotterdam kunnen doen. Alleen heb ik voor hen te veel Ajax-DNA.”

Voor iemand die zo houdt van „de harmonie van het collectief” als hij, moeten de afgelopen jaren zwaar geweest zijn. De ‘fluwelen’ revolutie van Johan Cruijff, Louis van Gaal die directeur zou worden en toch niet, ruzie en gedoe. „Aanpassen zit in mijn natuur. Ik ben kameleon, met behoud van mijn persoonlijkheid.” Hij denkt even na. „Toch voel ik me nooit helemaal veilig.” Nee, hij is niet bang dat een trainer hem zal ontslaan. „Trainers zijn passanten.” Misschien, denkt hij, is zijn voetballiefde te romantisch. Misschien mist hij nog steeds de meedogenloosheid voor de absolute topsport.