Het knerpende geluid van de paardentram

Geschiedenis Hoe klonk het op de Dam in 1895 en 1935? Dankzij historisch onderzoek en geavanceerde geluidstechniek is het nu voor iedereen te horen.

Warna Oosterbaan

Te zien zijn drie paardentrams, handkarren, rennende jongens, een kiosk. Veel volk op de been, rangen en standen, straatgedruis. Een levendig schilderij, die Dam van Breitner uit 1895. Je ziet het allemaal voor je.

En nu kun je het ook horen. Als je de koptelefoon opzet, knerpt de paardentram door de bocht. Een straatventer prijst schuin voor je zijn koopwaar aan, een handkar ratelt rechts van je over de keien. Stemmen. Klokgelui. Geen gedruis van auto’s, geratel van pneumatische sloophamers of gezoem van verre vliegtuigen. Alleen het geluid van 1895.

Dat is vanaf donderdag te horen in het Amsterdam Museum (voorheen het Amsterdams Historisch Museum). Ook kun je luisteren naar de Dam van 1935 en van 2012.

Zijn er plotseling oude wasrollen en schellakplaten van Damgeluiden opgedoken? Nee, de fonograaf was in 1895 nog een recente uitvinding en voor opnames van straatgeluiden was dit apparaat ongeschikt. Bovendien kwam vrijwel niemand op het idee zoiets triviaals als stadsrumoer op te nemen. Het is een simulatie die in het museum is te beluisteren, maar wel een simulatie waarvoor verantwoord historisch onderzoek is gedaan, en geavanceerde opnametechnieken en gespecialiseerde software zijn gebruikt.

Het begon toen Karin Bijsterveld een mailtje kreeg van Nick Miller. Bijsterveld is historicus en hoogleraar technologie en moderne cultuur in Maastricht. Ze doet onderzoek naar de sociale rol en de betekenis van geluid. Geluid in het dagelijks leven, in de wetenschap, in de kunst en in de geschiedenis. En Nick Miller is vicepresident van het Amerikaanse onderzoeksbureau Harris Miller Miller & Hanson (HMMH). Dat adviseert bedrijven en overheden over de manier waarop je geluidshinder kunt bestrijden. Daartoe maakt HMMH vaak gebruik van simulaties: ze creëren het virtuele geluidsbeeld van een nabijgelegen luchthaven, en ze laten horen wat het aanleggen van een extra landingsbaan uitmaakt. Of wat een geluidswal voor omwonenden zou uitmaken, of driedubbele beglazing.

Konden professor Bijsterveld en HMMH niet iets betekenen voor elkaar, vroeg Miller in zijn mailtje. Kon ze niet iets met die virtual soundscapes van HMMH?

“We hebben erover gebeld. En ik kreeg een idee. Kunnen jullie niet, vroeg ik ze, een virtual soundscape maken van een historische situatie? Daar hadden ze nog nooit aan gedacht. Ze maken geluidsbeelden van de toekomst, maar voor voorbije geluiden hadden ze nooit een opdracht gekregen.”

Bijsterveld had een goede reden voor haar vraag. In haar NWO-project Soundscapes of the Urban Past: Staged Sound as Mediated Cultural Heritage wordt onder meer onderzoek gedaan naar de manier waarop geluiden een beeld van een stad geven. In de film, in hoorspelen, in de literatuur. Een van haar promovendi, Annelies Jacobs, doet onderzoek naar de wijze waarop in Amsterdam geluiden en geluidskwesties opdoken in reisverslagen, memoires, dagboeken, ingezonden brieven, tijdschriften en kranten. Bijsterveld: “NWO wil graag dat we onze onderzoeksresultaten ook buiten de wetenschappelijke circuits verspreiden. Het boek met onze onderzoeksresultaten was bijna klaar, maar dat is vakliteratuur. Zou het niet mooi zijn als je iedereen een idee kon geven van historisch geluid? Van dat van Amsterdam bijvoorbeeld?”

Annemarie de Wildt, conservator eigentijdse geschiedenis bij het Amsterdam Museum had er wel oren naar. “Een museum is vooral een visuele belevenis, maar we schuwen het experiment niet. We zijn steeds op zoek naar manieren om andere zintuigen dan de ogen aan te spreken.” Mede daarom hangt er in een van de zalen die aan de Gouden Eeuw zijn gewijd nu een honderdtal sterk riekende stokvissen aan het plafond.

De constructie van een historisch verantwoord klanklandschap bleek wat tijdrovender. Waar te beginnen? De Wildt kwam met het Dam-schilderij van Breitner uit 1895 aanzetten, en dat bleek een goed uitgangspunt voor een projectgroepje van museummensen, Maastrichtse onderzoekers en een geluidstechnicus. De Wildt: “We hebben eerst geïnventariseerd welke geluidsbronnen je er op kunt zien: trams, paarden, karren, voetgangers, koetsen, klokken. En dat hebben we aangevuld met de gegevens die Annelies Jacobs had verzameld.”

De opkomst van het lawaai

Het onderzoek van Jacobs geeft een levendig beeld van de opkomst van het lawaai in Amsterdam, en hoe dat soms onverwachte oorzaken had. De groei van het autoverkeer, in de jaren twintig en dertig, bracht een voortdurend claxonconcert op gang. Dat was een ongedacht gevolg van de snelheid en de betrekkelijke geruisloosheid van de automobielen. Met hun rubberbanden maakten ze een heel ander geluid dan de karren met ijzeren banden om de houten wielen. Dat schiep nieuwe gevaren voor argeloze voetgangers, handkarren en paarden die niet verdacht waren op auto’s. Er zat maar één ding op: de auto’s moesten bij elke straathoek claxonneren. De Amsterdamse verkeerspolitie adviseerde in 1928 de automobilisten: “Geef goed signaal. Dacht u misschien dat iemand om een hoek kan zien?”

Toen de geluiden waren geïnventariseerd stond de projectgroep voor de tweede opgave: hoe kom je aan het geluid van een paardentram, een handkar, de ratel waarmee de komst van de poepwagen (de ‘Boldootkar’) werd aangekondigd? Waar kun je nog straatventers vinden? Waar kun je A-Fords en Spijkers horen? Bruikbare geluidsarchieven bleken er niet te zijn. Als er al oud geluid is opgenomen, dan is de kwaliteit te slecht, of het is niet goed gedocumenteerd.

Arnoud Traa werd erbij gehaald. Hij is geluidsontwerper, hij maakt geluiden en muziek voor speelfilms en documentaires en is de drijvende kracht achter de website geluidvannederland.nl, een verzamelplaats voor oude en nieuwe geluiden. Kon hij die oude geluiden opnemen?

Het eerste wat Traa deed, was het vastleggen van de akoestiek van de Dam: die gecompliceerde ruimte met een stenen vloer, harde muren en met het Rokin, het Damrak en de Paleisstraat als drie brede gangen. “Dus stond ik op een zondagochtend om vier uur op de Dam, voor Peek en Cloppenburg. Met een flinke ballon en een stok met een speld erop. Te wachten tot het zo stil mogelijk werd.”

Toen kwam er een politieauto aangereden. “Ik heb uitgelegd wat ik daar deed en toen ze weg waren heb ik de ballon doorgeprikt.”

Het ging Traa om een scherpe geluidsimpuls, maar eigenlijk om de echo’s ervan. “Je neemt dat geluid op, je knipt de knal eraf en dan houd je de staart over. Met die galmstaart konden de Amerikanen mijn opnamen bewerken tot Damgeluiden.” (Zie kader.)

De ballon bevond zich ongeveer op het punt waar Breitner zijn schilderij maakte. Het Damgeluid werd zo het geluid dat Breitner hoorde. De museumbezoeker die recht voor het schilderij gaat zitten, bevindt zich op hetzelfde punt.

Daarna moesten de historische geluiden worden opgenomen. Soms was dat eenvoudig. Het geluid van voetstappen is niet erg veranderd – klompen werden op de Dam nauwelijks gedragen. Het Amsterdam Museum had de ratel waarmee de Boldootkar werd aangekondigd nog in zijn depot liggen, dus die mocht eindelijk weer es ratelen. In Utrecht kon een vals buikorgeltje worden aangeslingerd. Voor andere objecten was het moeilijker. Niet elk museum wil zijn kostbare objecten tot klinken brengen. Maar bij het Zuiderzeemuseum hadden ze nog de juiste handkarren, en ook de klinkers waarover ze fijn konden ratelen.

In 1935 lag er asfalt en in Hillegom konden bij het Fordmuseum enkele oude Fords worden opgenomen. “Daar was een parkeerterrein waar we opnamen konden maken. Maar daar liep weer een drukke weg langs en in de heg zaten veel mussen te tsjilpen. Uiteindelijk lukte het in een stil hoekje.”

Cabaretkenner Jacques Klöters werd ingehuurd om een paar authentieke straatventers uit 1895 te imiteren en acteur Mimoun Oaissa bleek het juiste Amsterdamse accent te hebben voor een paar goed klinkende gespreksflarden. Rond 1935 werd er veelvuldig geklaagd over de geluidshinder van grammofoons en radio’s. Traa nam een koffergrammofoon op die voor een open raam stond en muziek van Sidney Bechet draaide, en een radio met het verslag van een interland.

De meeste hoofdbrekens kostte de paardentram. Ze zijn er misschien wel, maar ze kunnen de straat niet op, want een trambaan met de juiste spoorbreedte is niet voorradig. Uiteindelijk bleek het Duitse plaatsje Döbeln, in de voormalige DDR, de ideale plek te zijn. Er lagen nog rails op de juiste afstand van elkaar, de vereiste kasseien waren aanwezig en er was een tramwagon beschikbaar. “En toevallig kwam ook het parcours aardig met dat van de Dam overeen, compleet met de bochten waarin die trams doorheen knerpen.”

Traa nam zijn geluiden niet op met een gewone stereomicrofoon. Hij maakte ‘binaurale’ opnamen. Dat is een techniek waarbij twee kleine microfoons in de oren worden aangebracht. Daardoor wordt ook de positie en het richtingeffect van de oorschelpen en het eventueel meetrillen van het hoofd in de opname verdisconteerd.

Binaurale opnamen kunnen alleen maar goed met een hoofdtelefoon worden gereproduceerd, maar het effect is verbazingwekkend natuurgetrouw: je kunt de positie van elk afzonderlijk geluid bijna aanwijzen (voor een demonstratie: zoek op internet naar binaural haircut). Voorwaarde is wel dat de geluidsman met de oormicrofoons doodstil blijft staan en niet te zwaar ademt.

Traa stuurde zijn opnamen naar de Verenigde Staten, met gegevens over opnamesterkte en de afstand tot de geluidsbron. De technici van HMMH berekenden de juiste mix en de positie van elk geluid, en stuurden het totale beeld terug.

Veel meer ruis

Zodat je volgende week eindelijk weer kunt horen hoe het klonk op de Dam, in 1895 en 1935. Voor het contrast is ook een opname van de Dam uit 2012 beschikbaar. De bezoeker kan ook zijn eigen klankschap samenstellen: hij kan in 1895 en 1935 geluidsbronnen toevoegen of verwijderen, om ze zo beter van elkaar te onderscheiden. Zo kan hij ook ervaren hoe in 1935 de grotere drukte leidt tot het maskeren van ander geluid – van voetstappen bijvoorbeeld. “In de geschiedenis van geluid heet dat het verschil tussen een hi-fi en een lo-fi samenleving”, zegt Karin Bijsterveld. “In een hi-fi omgeving kun je de signalen nog van elkaar onderscheiden. In de moderne lo-fi stad is er veel meer ruis, alles loopt door elkaar heen en overstemt elkaar.”

Zou ze de realisering van zo’n soundscape een wetenschappelijk experiment willen noemen? Heeft ze er iets door ontdekt? “Het meeste wisten we natuurlijk al uit de literatuur. Maar neem die koffergrammofoon in de opname van 1935. Het is een heel doordringend geluid. Je kunt je opeens goed voorstellen dat daar veel over geklaagd werd.”

En gaat het werken? Krijgt de bezoeker die historische sensatie, van ondergedompeld te worden in 1895 of 1935? “Ik hoop het”, zegt Bijsterveld. “Maar ik kan me ook voorstellen dat mensen het te ‘gewoon’ vinden. Dat ze van de Dam in 1895 denken: dat is toch platteland? Daarom hebben we er ook een paar verhalen aan toegevoegd. Drie korte opnames waarin een verteller informatie geeft over verschillende stadsgeluiden, die geluiden laat horen en ingaat op de betekenis ervan. Daar weten we tegenwoordig nauwelijks nog iets van: wat die ratel betekent bijvoorbeeld. Of het carillon in de Beurs, dat de beurshandelaren het teken gaf dat ze naar binnen mochten.”

En er is nog iets, zegt Bijsterveld. “De opnames zijn allemaal van hoge kwaliteit. Je hoort die voetstappen uit 1895 heel goed, de stemmen, het buikorgeltje. Maar misschien werkt die kwaliteit niet – misschien zijn mensen gewend authenticiteit te associëren met krakende en zwaar ruisende opnames.”

Karin Bijsterveld (red.): Soundscapes of the Urban Past. Staged Sound as Mediated Cultural Heritage. Bielefeld, 2013. 230 blz; € 29,80.