Gedreven vanger van schaduwen

De verkenners van generaal Custer, Apsaroke, 1909

Timothy Egan, , Boston, 2013, 370 blz., 26 euro

De ondertitel The Epic Life and Immortal Photographs of Edward Curtis doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een hagiografie, een biografie door een bewonderaar, die blind is voor de tekortkomingen van zijn held. Dat is niet zo. Timothy Egan, publicist en winnaar van de National Book Award, portretteert Edward Curtis als een man van vlees en bloed: ijdel, egocentrisch, obsessief en eigenwijs, maar ook een gedreven, onvoorstelbaar energiek en begaafd fotograaf. En een meer dan verdienstelijk selfmade etnograaf.

Edward Sheriff Curtis (1868-1952) is de man achter het monumentale werk The North American Indian, dat tussen 1907 en 1930 in 20 delen verscheen. Daarin zijn de culturen in beeld gebracht van tachtig inheemse volken ten westen van de Mississippi en aan de kusten van Alaska.

Die kloeke delen bevatten duizenden foto’s. Portretten van oude leiders, zoals de Cheyenne Kleine Wolf (1820-1904) en de Oglala Lakota Rode Wolk (1822-1909), die in hun jonge jaren de strijd aanvoerden tegen het Amerikaanse leger, dat hen wilde verdrijven van hun grond en concentreren in reservaten. Maar ook van jongemannen, vrouwen en meisjes. En taferelen uit het dagelijks leven: jagen, vissen, vruchten en kruiden verzamelen en cactussen tappen. De tekst bevat beschrijvingen van ceremonies en van traditionele technieken – jagen, vuur maken – en ook korte grammatica’s met woordenlijsten van nu vaak verdwenen talen.

Curtis was de zoon van een rondreizende lekenprediker, die met zijn gezin westwaarts trok, tot in Seattle, een pioniersstadje aan de westkust van de huidige staat Washington. Edward had alleen lagere school, maar had zich de beginselen van de fotografie eigengemaakt en profiteerde zo van de snelle expansie van Seattle. In 1895 had hij een goed lopende studio waar notabelen zich lieten portretteren.

Op zijn zwerftochten buiten de stad trof Curtis een oude vrouw die mosselen zocht aan zee. Zij was de dochter van Sealth, hoofdman van een bijna uitgestorven kustvolk, die zijn naam gaf aan Seattle. Omwonenden noemden haar ‘prinses Angeline’. Zij was de eerste indiaan die Curtis portretteerde. Voor hem belichaamde zij de ondergang van haar volk.

In 1899 ontmoette Curtis de antropoloog George Bird Grinnell, die hem meenam naar de vlakten van Montana, naar een groep Piegan. Daar besloot hij tot wat zijn levenswerk zou worden: zolang het nog kon de traditionele levenswijze vastleggen van wat hij zag als een ‘verdwijnend ras’. In 1900, leerde de census, woonden er in de Verenigde Staten nog 250.000 indianen. In 1492 waren het er waarschijnlijk 10 miljoen.

Het kostte Curtis dertig jaar, zijn studio en zijn huwelijk, maar hij slaagde. Met een taalkundige en indiaanse tolken bereisde hij de verste uithoeken van de VS om met oude mannen te praten, ceremonies vast leggen en portretten te maken. Antropologen hebben Curtis verweten dat hij met die beelden een ‘constructie’ maakte van wat hij zelf zag als authentiek. Dat is unfair. Egan laat overtuigend zien dat Curtis zich bij eventuele ensceneringen steeds liet leiden door wat ouderen zich herinnerden van de tijd vóór de reservaten. Egans biografie is een eerbewijs aan een grote prestatie.

Wat een leven. Wat een foto’s.