En toch...

schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: bijgeloof.

Krijgt u uw huis niet verkocht? Dan moet u een beeldje van Sint Jozef in uw voortuin begraven, op zijn kop en met zijn gezicht naar het huis. Zeg elke dag, minstens één keer, het huisverkoopgebed op (‘Heilige Sint Jozef, laat de verkoop snel en eerlijk zijn’), en dan is het zo gepiept.

„Het werkt echt”, zegt mijn lievelingsneef uit Brabant. Het huis van wijlen zijn schoonmoeder stond nog maar één dag te koop, ze hadden Jozef koud onder de grond, of er was al iemand die een bod uitbracht. En hij is niet de enige met deze ervaring, zegt hij. Hoe het kan, weet mijn neef ook niet, maar je moet er volgens hem wel „echt in geloven”. „Anders werkt het niet.”

Het huis van mijn vader – die notabene is vernoemd naar de heilige Jozef, en zelf ook timmerman is geweest – staat ruim een jaar na zijn dood nog altijd te koop. Sterker: er is nog niet één kijker geweest.

Geloven doe ik niet. Aan mijn katholieke opvoeding heb ik vooral een pragmatische omgang met kleine zonden en een liefde voor kaarsen overgehouden. Als kind heb ik wel devoot, voor het slapen gaan, op mijn blote knieën tot God gebeden en beleefd gevraagd of hij er alsjeblieft voor wilde zorgen dat ik later een knap gezichtje zou krijgen, maar dat was meer voor de zekerheid.

Ik ben ook niet bijgelovig. Ik weet dat een déjà vu een breinfoutje is, niet een herinnering aan een eerder leven. En als iemand mij belt, juist op het moment dat ik aan hem zit te denken, dan noem ik dat toeval, en geen telepathie. Ik geloof ook niet dat er een oorzakelijk verband is tussen de droom vol dode huisdieren van een collega, en het feit dat ze de volgende ochtend de huisrat koud en stijf onder het zaagsel vond.

En toch. En toch hecht ik waarde aan het soort toeval dat de schijn tegen heeft.

Een voorbeeld. Tien jaar na de dood van mijn moeder, enkele dagen voor haar sterfdatum, zat ik met mijn liefste vriendin te eten in een café. Ik vertelde haar nog eens het hele verhaal van die onwerkelijke nacht waarin ze was heengegaan. En terwijl mijn vriendin stil met me meehuilde, waaide achter haar – met een ruk – het raam open. Een harde windvlaag sloeg over tafel.

Ander voorbeeld. Op een vroege winterochtend, veertien jaar geleden, blies in Amsterdam-West een dappere 67-jarige vrouw haar laatste adem uit. Aan haar bed haar lieve man en zoon. Een uur later, in Amsterdam-Zuid, brulde een meisjesbaby haar longblaasjes vol. Die baby is mijn dochter, de dappere vrouw de moeder van mijn huidige verkering. Toeval is daar een schraal woord voor.

Toeval is als de inktvlekken van de Rorschachtest. Een gothic ziet in een inktvlek eerder een vleermuis, terwijl een verliefd pubermeisje een vlinder waarneemt. Net zo onderstreept toeval – vaak met veel gevoel voor drama – wat iemand belangrijk vindt.

Misschien is het een goed idee om het toeval een handje te helpen. Ik ga snel de Jozef uit de kerststal van mijn ouders begraven in hun voortuin, onder de buxushaag die mijn moeder daar vanwege het onderhoudsvriendelijke karakter heeft neergeplant. Omdat ik er dan toch ben, ga ik binnen even in mijn vaders luie stoel zitten, waarvan de stand, net als een tandartsstoel, met een afstandsbediening te regelen is. Dan ga ik met mijn voeten omhoog wat liggen mijmeren – en wachten op kopers.