Een stalen illusie

Thijs Zonneveld kocht een nieuwe oude Eddy, een stalen racefiets. Er heerst wielernostalgie.

Hij heette Eddy, mijn eerste racefiets. Die vier letters stonden op de schuine buis gekalkt; het tweede deel (Merckx) van zijn oorspronkelijke naam was weggeroest. Datzelfde gold ook voor de voorvork trouwens. Verder hingen de bidonhouders met stukjes tape aan het frame, kraakte het zadel als de knieën van een gepensioneerde bouwvakker en was er zo weinig van het stuurlint over dat ik niet eens wist of er nog wel een stuurlint op zat.

Maar geen kwaad woord over Eddy.

Ook al hing hij van ellende aan elkaar; hij was mijn eerste fiets, en van je eerste fiets heb je er maar één. Toen Eddy was overleden (tot roest zullen wij wederkeren) heb ik een traantje gelaten. Al die hypermoderne carbondingen waar ik de rest van mijn leven op heb gereden deden me niks.

Sinds kort rij ik weer op een stalen Eddy. Eddy II is misschien niet helemaal hetzelfde als Eddy I, maar de herinnering aan vroeger is genoeg. En blijkbaar ben ik niet de enige die er zo over denkt. De oude fiets is terug. De hipsters van 010 en 020 rijden tegenwoordig op een stalen wrak uit de jaren zeventig, meestal gekocht op Marktplaats – van een oud vrouwtje die er alleen maar boodschappen mee deed. Er worden fietsbeurzen georganiseerd waar alleen maar oude stalen frames te koop zijn, in kledingwinkels hangen fietsen uit het jaar nul als decoratie in de etalage en ik ken fietsfabrikanten die hun productielijn van carbonfietsen hebben vervangen door de stalen modellen die ze dertig jaar geleden maakten.

In Londen en New York heeft het stalenfietsenvirus trouwens nog veel harder toegeslagen: zonder old school fiets tel je niet meer mee.

Staal is weer in. Net als oude wollen wielershirts, vooroorlogse stofbrillen en wielerpetjes (klep omhoog!) uit het Joop Zoetemelk-tijdperk. Oud is het nieuwe nieuw.

Ooit kon je retrowielershirts alleen kopen op de rommelmarkt, tegenwoordig worden ze geproduceerd door tientallen fabrikanten en zelfs H&M heeft een retrowielerkledinglijn gelanceerd.

We snakken naar vroeger, zelfs naar tijdperken die we zelf misschien niet eens beleefd hebben. We hebben apps op onze telefoons die foto’s bewerken zodat ze eruitzien alsof ze door een polaroidcamera gemaakt zijn, we dragen brilmonturen uit de jaren zeventig en alle mannen hopen stiekem dat de Berry-van-Aerle-voetbalsnor uit de jaren tachtig weer in de mode komt.

We zwelgen in de illusie dat vroeger alles beter was, en er is geen sport die zich zo goed leent voor heimwee naar vroeger als wielrennen. Wielrennen hangt aan elkaar van sterke verhalen, tradities, legendes en ijzeren mannen op stalen fietsen. In oktober wordt de Eroica verreden – een wielertocht in Toscane, over de witte zandweggetjes van de Chianti. De Eroica is een fietstocht naar het verleden. Het is verplicht om met een oud lor te rijden: futuristische carbonfietsen met elektronische schakelsystemen zijn niet welkom. Het gaat niet om de snelheid, het gaat om het gevoel. Hoe ouder de fiets, hoe beter. IJzeren bidons: prachtig. Een fietsband om je nek: nog mooier. De tocht bestaat pas een paar jaar, maar is mateloos populair: er zijn zoveel inschrijvingen dat er moet worden geloot. Duizenden mensen van over de hele wereld zwoegen op stalen wrakken door Toscane; ze spelen alsof ze Fausto Coppi zijn, ook als ze Fausto alleen hebben zien fietsen op een zwart-witfoto. Ze roepen dat hun oude fietsen eigenlijk véél beter en comfortabeler zijn dan al die nieuwerwetse dingen van tegenwoordig, maar ze weten in hun hart dat het niet waar is.

Stalen fietsen zijn niet beter, ze zijn niet comfortabeler, ze zijn niet lichter, ze zijn niet handiger. Het succes van de stalen fiets is pure nostalgie.

Het is een stukje vroeger onder je kont.

Thijs Zonneveld (1980) was profrenner en is sportredacteur bij NRC Handelsblad