Een pruttelende roofkat

Een stationwagen van Jaguar? Het merk begeeft zich volgens Bas van Putten op glad ijs.

Een stationwagen van Jaguar kan niet. Een station is functioneel, en een Jaguar mag geen nut hebben. Een echte Jag is een snelle, chique herenslee voor de liefhebber die gelukzalig zinloos anderhalve ton aan zijn V8 spendeert, immuun voor burgermansgemor over de kolossale afschrijving. Goed zo, dan ben je een Jag-man. Die koopt geen auto, maar het stijlgevoel dat bij zijn zelfbeeld past. Hij snapt de zin van duur. De prijs beschermt zijn kaste tegen indringers.

Er is een klein probleem. Zoals alle merken met een bescheiden modellenportfolio moet Jaguar meer auto’s afzetten. De winkel kan niet draaien op vlaggenschepen als de XJ sedan en de XK Coupé, voor minimaal 90.000 respectievelijk 135.000 euro. De opgave is met kleinere modellen zo stijlvast af te dalen in de autohiërarchie dat de exclusiviteit niet in gevaar komt.

Glad ijs. Ook de genotzoeker die zich geen XJ kan permitteren wil een echte Jag. In 2001 polste Jaguar het middenkader met de X-Type, in 2004 gevolgd door een X-Type Estate. Het was als kleine variant op de toenmalige XJ niet eens zo’n slecht ontwerp, met dubbele koplampen, een Jaguar-grille en desgewenst voldoende leer en wortelnotenhout aan boord voor de vereiste Britse landhuissfeer. Maar hij kwam op een chassis van Ford, toen eigenaar van Jaguar. Het stigma van verbouwde Ford Mondeo was fataal; de X werd een zeperd.

Het was een harde les. Men vreet geen bastaard, en wie weet had hij meer moeten kosten dan de maker vroeg. Kopers, zie Apple, willen graag voor hun prestige bloeden. Een rib uit het lijf, maar wel een Jag. De pijn is het genot.

De Jaguar XF Sportbrake 2.2D, de stationversie van de sinds 2008 leverbare XF sedan, is vanaf 55.000 euro kostbaar genoeg om zijn stand op te houden. De viercilinder turbodiesel is met een verbruik van 1 op 15 voldoende spaarzaam om schuldgevoelens over de verkwisting te beteugelen. Viercilinders zijn voor zo’n executive geen schande meer, nu BMW ze ook in 3- en 5-series levert.

De forse Sportbrake heeft niet het benauwde van een X-Type en de Mondeo-genen zijn van tafel. Als station is hij functioneel, maar niet zo casual dat het genant wordt. Hij is het uiterlijk geslaagde compromis tussen verstand en versierkunst. Het ‘Brake’ in zijn naam knipoogt naar Shooting Brake, verzamelnaam voor coupé-achtigen met stationlaadruim voor de jachtuitrusting. Zo wil hij zijn, het goede leven.

De motor is te hoorbaar. Jaguar verzacht dat leed door de achttraps automaat zo af te richten dat de 2.2 bij 150 kilometer per uur 2.000 toeren draait. Bij constante snelheden houdt de diesel zich beschaafd gedeisd. Maar een Jaguar is een roofkat. Een roofkat ruist; deze pruttelt bij het optrekken als een doorsnee leasebak. Onelegant. Je lost dat op door hem met een van de twee magistrale zescilinder turbodiesels te bestellen. Die sluipen wél op kousenvoeten, voor een meerprijs die de auto adelt, deftig duur.

We moeten het over stijl hebben. Met de XF en de nieuwste XJ nam Jaguar afscheid van de klassieke Britishness die de X-type niet kon redden. De nieuwe zakelijkheid van de strak gelijnde cockpit breekt gewaagd met de decadente retro-interieurs uit het herenclubtijdperk. Trefwoord: cool. In de startknop knippert rood licht dat volgens Jaguar de opgewonden hartenklop van de berijder nadoet. De automaat bedien je met een draaiknop die elektrisch uit de middentunnel oprijst. De leeslampen schieten aan als je hand in de buurt komt. Het is mooi maar overdone, amusement dat bijna proletarisch aandoet.

Stijlbreuk

De snelle, comfortabele XF draagt de last van een stijlbreuk. Hij mist de opulentie van zijn voorzaten. Tradities mogen de vooruitgang niet belemmeren. Jaguar mag geen British Museum worden. Maar voor de nieuwe Jag-look zo klassiek is als de oude zijn we vele jaren verder. Die rijpingsperiode zal hem niet beschoren zijn. Sneller dan we denken is de auto zoals we hem nu kennen zelf geschiedenis. Deze revolutie komt te laat.

Zo kom ik tot het volgende advies. Wie per se dit model begeert, koopt voor het volle pond een zespitter.

Nuchterder stationrijders met Jaguar-neigingen en een vergelijkbare bestedingsruimte raad ik aan de zeventig mille van mijn testwagen te verdelen over een Mazda 6 Sportbreak 2.2D, even goed voor de helft van de prijs, en een gebruikte Jaguar XJR van het vorige model; razendsnel, romantisch, subliem onverantwoord. Hou je tien mille over voor de eerste grote beurten. Right?