Een losse, sprankelende toets

Veel werken van Frans Hals zijn aantrekkelijk door de vrije manier van schilderen waarmee hij details niet minutieus weergeeft, maar eerder suggereert.

Frans Hals, Pekelharing, ca. 1630 Gemäldegalerie Alte Meister, Kassel

Het eerste grote overzicht van het werk van Frans Hals in bijna 25 jaar. Dat was het ambitieuze voornemen van het Haarlemse Frans Hals Museum om zijn eigen honderdjarige bestaan kracht bij te zetten. In 1989 herbergde het museum de tot op heden laatste monografische tentoonstelling gewijd aan de schilder. Die expositie heeft destijds veel stof doen opwaaien, vooral waar het de geloofwaardigheid van toeschrijvingen aan de meester betrof. Hoe mooi zou het niet zijn geweest de zaak eens opnieuw te bezien, met verwerking van de resultaten van bijna een kwart eeuw kunsthistorisch onderzoek? Beschouwd tegen die achtergrond is het aandeel van werken van Frans Hals in de tentoonstelling die nu in Haarlem is te zien, teleurstellend te noemen: van de circa vijftig geëxposeerde werken is de helft van de hand van Hals zelf. En vijftien daarvan komen uit de eigen collectie.

Daar staat tegenover dat de benadering die het museum heeft geko zen, nadat een degelijk en omvangrijk overzicht onhaalbaar bleek, avontuurlijk en spannend is. En daardoor misschien wel veel aantrekkelijker. Deze expositie stelt zich ten doel het werk van Hals te zien in de context van de schilderkunst van zijn tijd. In het verleden is hij vaak opgevoerd als een tamelijk geïsoleerde kunstenaar die zijn tijd ver vooruit was. Kunstenaars en theoretici in de negentiende en twintigste eeuw waardeerden zijn modern aandoende themakeuze en bijna impressionistische, losse schilderstijl. Maar Hals was een kind van zijn tijd. En het beeld dat zijn stijl in de zeventiende eeuw buiten Haarlem nauwelijks werd gewaardeerd, blijkt ook niet juist te zijn. Werken van zowel oudere als jongere tijdgenoten laten iets zien van de invloed op en de navolging van de stijl van de schilder.

Frans Hals (1582/1583-1661) werd geboren in Antwerpen. Na de inname van die stad door Spaanse troepen, vluchtte de familie in 1585 noordwaarts en vestigde zich in Haarlem. In de loop van zijn lange, bijna vijftigjarige carrière groeide Hals uit tot de toonaangevende schilder in de stad. Vooral met portretten maakte hij furore, maar ook schilderde hij taferelen die lijken te zijn ontleend aan het leven van alledag. Levendig geschilderde drinkebroers, dwazen en muzikanten lijken zo te zijn weggelopen uit de bierhuizen die Hals naar verluidt zelf ook graag bezocht. Veel werken van Frans Hals zijn onweerstaanbaar aantrekkelijk door de vrije manier van schilderen waarmee hij details van hoofden en kleding niet minutieus weergeeft, maar eerder suggereert. Hals is ook een schilder die op een miraculeuze manier emoties in de gezichten van zijn figuren op een overtuigende wijze weet te suggereren: de onbevan gen lach van een kind, de beschonken grimas van een bartype, of de hooghartigheid van een rijke patriciër.

Deze kenmerken zijn echter niet voorbehouden aan Frans Hals. De vlotte manier van schilderen, soms zonder enige voortekening direct op het doek, doet denken aan de techniek van zestiende-eeuwse Venetiaanse kunstenaars als Titiaan en Tintoretto. Van hen heeft Hals misschien werken gekend. Zeker is dat van schilderijen van kunstenaars als Peter Paul Rubens en Antoon van Dyck in zijn geboortestad Antwerpen, waar hij in 1616 een paar maanden verbleef. Het portret van de welgestelde Haarlemse brouwer en politicus Nicolaes van der Meer (1631) is een voorbeeld van die Antwerpse invloed. In de compositie van de figuur die bijna ten voeten uit poseert met zijn hand op de rugleuning van een rechte stoel, gaat het terug op een prototype van Rubens uit 1616 dat er in de tentoonstelling naast hangt.

Andersom zal het werk van Frans Hals, wellicht meer dan tot dusverre werd aangenomen, ook indruk hebben gemaakt op collega’s. Zijn jongere tijdgenoot Rembrandt hanteerde soms een vergelijkbare losse stijl en waagde zich ook aan figuren die, onbehoorlijk voor die tijd, hun tanden bloot lachen. Omstreeks 1630 maakte Hals een voorstelling van de clowneske figuur Pekelharing. Gekleed in een narrenkostuum en met een bierkruik in de hand kijkt hij de beschouwer lodderig aan. Niet veel later schilderde Antoon van Dyck een portret van kunsthandelaar en uitgever François Langlois. De houding van de geportretteerde, die er ontspannen lachend op staat, lijkt sterk op die van Pekelharing.

Maar ondanks de, toevallig of niet, vergelijkbare compositie, is Van Dycks werk anders van aard. Het portret toont Langlois dan wel in de vermomming van een eenvoudige schaapherder met een soort doedelzak in zijn handen, toch is dit nauwkeurig geobserveerde portret een heel ander soort schilderij dan de karikaturale dronkaard van Hals. De relatie die in tentoonstelling en catalogus wordt gelegd tussen de twee werken, betreft goedbeschouwd maar één aspect. En zo is het gesteld met meer van de connecties die worden gepresenteerd. Zo schilderde de Utrechtse Caravaggist Dirck van Baburen in 1622 een luitspeler, net als Frans Hals een jaar later. Van Baburens muzikant is een wezenloze houten klaas naast de sprankelend geschilderde tokkelaar van Frans Hals.

Frans Hals. Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan. Frans Hals Museum Haarlem. T/m 28/7. Cat.: 160 blz. (Uitg. nai010), € 25,00. Inl.: 023-5115775, www.franshalsmuseum.nl.

Koppig schilderij: Z&Z, Hollands Dagboek, pagina 31