Democratisch leiderschap kán

Iedereen wacht op iedereen. In Nederland, in Cyprus, in Europa, in de wereld. Of lijkt het maar zo? Op de binnenlandse huizenmarkt is het echt zo. Tussen kabinet, werkgevers en werknemers is het ook waar. Geeft niemand leiding of is dat een bijna romantisch begrip van vroeger? Jos de Beus dacht dat het nodig is en hoopte dat het democratisch verantwoord kan.

De in januari overleden politieke filosoof werd donderdag herdacht in de Rode Hoed. Hij was bekend als columnist in het zondagse programma ‘Buitenhof’ en als de man die het vervluchtigen van politieke principes en partijen begrijpelijk maakte aan de hand van het begrip ‘toeschouwersdemocratie’. Dat had hij ontleend aan de Fransman Bernard Manin.

De Beus hield eind 2006 een lezing over ‘leiderschap in de toeschouwersdemocratie’. Hij kwam er prachtig college over geven voor een zaal met 200 eerstejaars studenten in Groningen. Het oplossen van de klassieke notie van de representatieve democratie was niet louter zorgelijk. Als we maar begrijpen wat er gebeurt en niet te veel naar politieke praatprogramma’s kijken – hij noemde Pauw en Witteman „de gladste vijanden van het volk”.

De Beus had zijn afkeer van het begrip leiderschap overwonnen, vertelde hij. Individualisering, schaalvergroting en internationalisering leiden tot een vluchtiger vertrouwensband tussen kiezers en gekozenen. Het mandaat moet permanent verdiend worden en kan snel worden afgenomen. Media spelen een grote rol in die instabiele vertrouwensrelatie.

Die grotere afhankelijkheid van de luimen van het gemediatiseerde volk leidt tot het uitsterven van moreel leiderschap en overmatige nadruk op ‘politiek beheer’. Burgers veiligheid beloven in plaats van hen mobiliseren tegen maatschappelijke misstanden of voor idealen. Reden temeer voor een hedendaagse elite om op te staan: „Laat Nederlandse burgers die zich cultuurdragers voelen de moed hebben om de politiek als roeping te kiezen”. Best moedig en onmodieus voor een sociaal-democraat.

De Beus kon het gister geschreven hebben. Wijd verbreid wantrouwen, een verlangen naar een ‘echt’ imago, het afwentelen van verantwoordelijkheid, het arrangeren van schijnbare onvermijdelijkheden – het blijft actueel.

Uitzondering deze week: Jeroen Dijsselbloem, die voor het Europees parlement zomaar het eerste, ongelukkige Cyprus-besluit van de eurogroep voor zijn rekening nam. Meer beleefd en tactvol dan conform de werkelijkheid? Hij is voorzitter van de ministers van Financiën van de eurolanden en kan niets in zijn eentje besluiten. Of was het een geval van goed maar iets te laat begrepen erkenning van waar burgers behoefte aan hebben?

Hoe dan ook, de onzekerheid is ongekend. De besluiteloosheid neemt epische vormen aan. Het kabinet-Rutte II heeft een sociaal akkoord nodig om ook in de Eerste Kamer steun te winnen voor zijn plannen om de WW te versoberen en de ontslagbescherming van mensen mét banen te beperken ten gunste van ondernemers én outsiders op de arbeidsmarkt.

De topmannen van VNO-NCW en FNV zijn naar verluidt een heel eind met een akkoord waarin iedereen wat geeft en wat krijgt, maar de waarnemend FNV-baas Ton Heerts moet nog het vertrouwen winnen van een duidelijke meerderheid in zijn achterban. Abva Kabo en Bondgenoten zien meer in confronteren dan pacteren. Als daar de komende weken helderheid over de machtsverhoudingen komt, zal blijken of de driehoek kabinet-werkgevers-werknemers zaken kan doen. Knap parlement dat daar nog tegen kan stemmen.

Vroeger, toen de polder op volle toeren compromissen uitspuwde, was de vraag of dat voldoende ruimte liet voor de gekozen volksvertegenwoordiging. Nu de overlegeconomie in de touwen hangt, dachten de onderhandelaars voor Rutte II allerlei flinks te kunnen afspreken. De parlementaire werkelijkheid dwingt hen nu alsnog een offer te brengen op het polderaltaar.

Maar het mag niet veel kosten. Want Brussel. En zelfs zonder de wetten van Europa en de financiële wereldorde, zijn de nationale instituties zo in verwarring over hun rol dat zij om elkaar heen blijven draaien. Bovendien is het gezag van veel instituties in een glijvlucht.

Ga maar na, De Overheid komt afspraken niet na, verklunst grote projecten, bedient zichzelf financieel beter dan de hulpzoekende burger (zie het verslag van de Nationale Ombudsman), opeenvolgende kabinetten missen grandeur, het koninklijk huis schiet op en neer in de volksgunst, ook in het parlement, dat zelf moeite heeft met rol en functie, het gezag van de Nederlandsche Bank is aangetast door herhaald toezichtfalen, de Raad van State wordt straffeloos genegeerd als adviseur en ligt als bestuursrechter naast de brandstapel, terwijl de ‘gewone’ rechterlijke macht vecht voor tijd en waardering, de cijfers van het Centraal Planbureau zijn heilig - als het de politiek uitkomt.

Instituties lijken al verdacht omdát zij institutie zijn. Ook onderling mijden zij de korte linkse directe niet. Wie anders kan orde aanbrengen in een verward staatsbestel dan een zelfbewust parlement? Jos de Beus: „Het bestaan van een nationale volksvertegenwoordiging met een publiek toegankelijke en zichtbare ruimte voor representatie door partijen (links-midden-rechts) is waardevol voor het volksbestaan, zoals een munt, een koningshuis, een toporkest of een voetbalelftal dat ook zijn.” Democratisch en dus moreel leiderschap is de gok waard. Een vacature voor iedereen.

Marc Chavannes

U kunt de auteur e-mailen via opklaringen@nrc.nl