De kunst van leven met de dood

In de rubriek ‘Het laatste woord’ spraken mensen over de laatste levensfase.Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

Detailfoto’s uit de serie ‘Het laatste woord’.

Mijn vader overleed vijftien jaar geleden, in de vroege zomer. Hij lag in de woonkamer van zijn eigen huis, met uitzicht op de tuin, waarin het vingerhoedskruid uitbundig bloeide. Hij zei: „Wat gaat het toch hard”. Sprak hij over het naderen van zijn laatste uur? Nee, hij doelde op de explosie van kleur en geur in de tuin.

Op zijn laatste zondag kwam een familielid afscheid nemen. Zij praatte over de tuin, het weer, nieuws uit het dorp. Hij luisterde, met gesloten ogen. In één zin probeerde zij iets bespiegelends te zeggen: „Och, wat triest dat het nu zo met je moet aflopen.” Hij opende zijn ogen, keek haar aan en zei: „Ach, 75 jaar, zo oud wordt een mens.”

Sindsdien heb ik vaak gedacht: ja, 75 is een mooie leeftijd om te sterven. Op een dag is het leven onherroepelijk voorbij. Als je dan 75 jaar mag worden... Count your blessings.

Inmiddels denk ik iets anders. Dat komt door de gesprekken die ik met ruim honderd mensen over ‘leven met de dood’ heb mogen voeren. Nu denk ik: vrede sluiten met het levenseinde heeft weinig met leeftijd te maken. Acceptatie hoeft niet makkelijker te zijn voor iemand van 75 jaar dan voor iemand van 37 en nóg makkelijker voor wie boven de 90 is.

Vorige week stond het laatste interview uit deze reeks op deze plek. Talloze vragen heb ik de afgelopen twee jaar gesteld aan mensen die hun laatste dagen, weken of maanden telden. Wat valt zwaar? Wat biedt hoop? Wat maakt bang? Wat geeft kracht?

Terwijl de interviews in de krant verschenen, is mij bij herhaling deze vraag gesteld: „Word je niet somber van al die gesprekken met stervende mensen?” Zonder aarzeling antwoordde ik: nee, integendeel.

Het heeft even geduurd voordat ik zelf begreep hoe het kwam dat de dood me niet bedrukte. Aanvankelijk voerde ik vooral een rationele verklaring aan. Ik zei dat ik het als onderdeel van m’n werk zag, zoals ook artsen, verplegers, pastors en mensen in de uitvaartbranche voortdurend met stervende en gestorven medemensen te maken hebben.

Ik durfde toen nog niet te zeggen dat de meeste ontmoetingen mij juist energie gaven en me zelfs blij maakten wanneer ik in de week na verschijning van geïnterviewden hoorde dat zij zulke prachtige reacties hadden gekregen, van bekende en onbekende lezers die hadden gebeld en geschreven.

‘Een goed gevoel’ ontlenen aan de naderende dood – het kán, en inmiddels denk ik te weten wat de verklaring hiervoor is. De gesprekken stonden namelijk nooit in het ‘eendimensionale’ perspectief van de dood, nee, het leven stond erin centraal – het leven dat zonder de dood niet bestaat.

Natuurlijk (en dat heb ik eerder op deze plek geschreven): een representatief beeld van het ‘algemene denken over de dood’ in Nederland heeft deze serie niet gegeven. Overwegend kwamen mensen aan het woord voor wie de dood een bespreekbaar thema was. Mij hebben zij verrast en verbaasd, omdat ze zoveel mentale kracht hadden ontwikkeld bij lichamelijke verzwakking, omdat ze – elk op een geheel eigen manier – hun levenskunst konden benutten als stervenskunst.

Wanneer ik zelf op een dag onder ogen moet zien dat mijn einde nabij is, hoop ik in staat te zijn alle afleveringen uit deze serie te herlezen. Ze kunnen me herkenning bieden en steun geven.

En niet alleen in het licht en zicht van de dood, ook als actuele levenslessen spelen ‘laatste woorden’ regelmatig door mijn hoofd. ‘Il faut cultiver notre jardin’, citeerde iemand uit Voltaire’s Candide, ou l’optimisme, waarmee ze wilde zeggen: „Als je je wilt inzetten voor een betere wereld, zorg dan dat je je eigen wereld op orde hebt”.

‘Laatste woorden’ hebben mij in contact gebracht met werk van Thich Nhat Hanh en Kahlil Gibran: grote namen voor kenners van oosters gedachtegoed, maar ik had me hierin eerder nauwelijks verdiept. Gibran: ‘Als je echt de ziel van de dood wilt kennen, open je hart dan voor het leven/ Want leven en dood is één, zoals de rivier en de zee ook één zijn.’

Voor dergelijke metaforen heeft deze reeks gesprekken me gevoelig gemaakt. Wij mensen, wij drijven op rivieren en monden uit in een groter geheel: de zee, de dood.

Ben ik nu opeens een gelovig mens? Nee en ja. Nee, ik blijf gepaste afstand houden van dogmatisch denken. En ja, ik heb meer belangstelling en respect gekregen voor levensbeschouwing als zienswijze, als methode om de dood als deel van het leven te leren bespreken en begrijpen en, hopelijk, ooit te aanvaarden.

Tekst & foto’s

Reacties: laatstewoord@nrc.nl Twitter: #hetlaatstewoord