Column

Bij het gebeier

Terwijl ik dit stukje schrijf, deze eerste vijf woorden heb getikt, beginnen links en rechts de kerkklokken te luiden. Op het plein voor de Sint Pieter staan honderdduizend mensen paus Franciscus toe te juichen.

Ik gun de gelovigen hun vrome plezier, maar het moet niet te lang duren. Ik ben volstrekt ongelovig opgevoed. Niet te dicht langs een roomse kerk lopen want er is altijd een kans dat je wordt ingemetseld, zei mijn moeder toen ik een klein jongetje was. Een grapje. Maar als ik op zondagmorgen langs die kerk bij mij in de buurt liep en ik hoorde het vrome gegalm, werd ik toch bevangen door een licht gevoel van onheil. Nu ik omgeven word door dit gebeier komt het weer heel even terug.

Francisus heet de nieuwe paus. Deze naam doet me denken aan een vroeg verhaal van Belcampo, de merkwaardige schrijver die eigenlijk Herman Pieter Schönfeld Wichers heette en die leefde van 1902 tot 1990. De held van deze geschiedenis is de heilige Nicodemus die droomt dat hij op een overigens totaal verlaten landweg een onophoudelijk bellende fietser tegenkomt. Dat is de heilige Franciscus. Waarom bel je toch de hele tijd, er is toch geen mens te zien, zegt Nicodemus. Waarop Franciscus zegt: en de insectjes dan, die over het fietspad kruipen? Ik vind dat Franciscus in dit geval in principe gelijk heeft, nog altijd.

Op een van zijn zwerftochten zag Nicodemus de heilige Prudentia terwijl ze in haar tuintje bezig was alle bloemen broekjes en rokjes aan te trekken om de meeldraden en de stampers te bedekken en bestuiving tegen te gaan. De praktijk van het vegetarisch celibaat. Nicodemus kon ook wonderen verrichten, zoals wratten wegmaken. Toen kwam hij de heilige Berend tegen. Die was op dit gebied beter. Hij kon wratten in bromvliegen veranderen, waarna ze door de patiënt zelf werden weggejaagd. Tot zover deze herinneringen van Belcampo aan de moederkerk. Hij is een van de meest bizarre schrijvers uit de Nederlandse literatuur, maar ik heb het gevoel dat hij nooit de eer heeft gekregen die hij verdient. Zijn jeugd heeft hij doorgebracht in Rijssen. Een voorstel om daar een standbeeld voor hem op te richten, is door het gemeentebestuur verworpen. Zijn eerste verhalen werden gepubliceerd in Propria Cures. In 1934 heeft hij deze verzameling in eigen beheer uitgegeven. Mijn vader had een exemplaar. Als jongen van een jaar of zeven heb ik alles verslonden. Een openbaring.

Eén keer heb ik een paus, Paulus VI, een hand gegeven. Dat was in 1964. Ik maakte deel uit van een groepje buitenlandse journalisten; een paar Duitsers, Fransen en Amerikanen, die op uitnodiging van de Italiaanse regering naar de vorderingen van de industrie en de wetenschap kwamen kijken en en passant nog een paar bezienswaardigheden meepikten. We gingen naar het Vaticaan. Is daar een lift? In ieder geval niet voor de bezoekers van de paus. Wel veel trappen. Buiten adem bereikten we ten slotte het ontvangstvertrek. Twee van mijn Duitse collega’s waren vrome katholieken. Ik stond vooraan in de rij. Ze vroegen of zij eerst mochten. Maar natuurlijk! Met een beheerste hartstocht die waarschijnlijk alleen de ware gelovigen eigen is, stortten ze zich op de pauselijke hand. Zo ben ik de onmiddellijke ooggetuige geweest van wat het geloof vermag.

Later kwamen we in Milaan, waar onze gastheren ons uitnodigden voor de opera. Ze hadden logeplaatsen in de Scala gereserveerd. Ik had niet veel zin; zei dat tegen mijn collega van The New York Times. Hij vroeg of ik gek was. Hij zei: „My dear friend. The opera is an art only to be compared to illustrated pornography.” Toen ben ik toch gegaan. Het viel tegen. Ten slotte gingen we naar Villa d’Este om lekker te eten. Verderop zat een ouwe dikke man met een mooi jong meisje. Dat bleek ex-koning Faroek van Egypte met de Napolitaanse schoonheidskoningin te zijn.

Het gebeier is weggestorven. Misschien zijn de gelovigen op het plein voor de Sint Pieter in gebed verzonken, of aan het juichen. Hoe dan ook, het geloof, welk dan ook, blijft voor mij een geheimzinnige zaak. Daar zijn mensen geweest die heel lang geleden tot de conclusie zijn gekomen dat er een Wodan, Allah of God bestaat; een wezen dat alles heeft geschapen. Daarover is een Bijbel, een Koran geschreven, en nog veel meer. Er zijn enorme gebedshuizen gebouwd, de gelovigen hebben elkaar uitgemoord en doen dat nog, uit naam van een Schepper, een Heer die volgens mij nooit iets van zich heeft laten horen. Als ik op een heldere nacht naar de sterrenhemel kijk, vraag ik me ook weleens af waar dat allemaal vandaan komt. Volgens sommige mensen is er ‘iets’. Het ietsisme noemde Ronald Plasterk dat. Dat zal wel of niet zo zijn, maar mijn zorg is het niet, gelukkig.