Bij boeken gaat het wel degelijk om de verkoop

Illustraties Cyprian Koscielniak

Als schrijver voelde ik me zowel aangesproken door het artikel van Peter Buwalda (Opinie&Debat, 9 maart) als door de reactie van Wanda Reisel (16 maart). De eerste is aan het woord als bestsellerauteur, de tweede werpt zich op als vertegenwoordiger van de ‘hoge’ literatuur, die minder hoge verkoopcijfers kent. Reisel houdt een pleidooi voor het diepgravende, waardevolle boek dat een onuitwisbare indruk wil achterlaten „op het scherm van ieder die zien wil in de nacht”. Dat klinkt misschien hoogdravend en elitair, maar het is niet anders: er is verschil tussen goud en klatergoud, zegt Reisel. Maar Buwalda merkte al op dat er naast het stilzwijgende contract tussen schrijver en lezer, waarin staat dat er geen onbegrijpelijk, duister proza mag worden afgescheiden, van oudsher ook een contract bestaat tussen de auteur van ‘moeilijke’ en ‘gelaagde’ literatuur en de critici.

Tegenwoordig moet „een schrijver een gloedvolle standwerker op de markt zijn”, schrijft Reisel honend. Het zinnetje sluit aan bij een opmerking van de IJslandse auteur Halldór Laxness, die stelde dat je als schrijver begon, maar als marktkoopman eindigde (hij bedoelde dat figuurlijk). Zelf sta ik – letterlijk – al jaren op de markt, niet alleen op boekenmarkten, maar ook op tuinfairs, braderieën en tijdens Scandinavische weekends. Vooral bij reisboeken, zoals ik die geregeld schrijf, bereik je zo een veel groter publiek dan alleen via de boekhandel. En om die verkoop gaat het wel degelijk. Het is absoluut niet verstandig in de eerste druk te blijven steken, als je tenminste een volgend contract wilt. In mijn recent verschenen roman Hoe schrijf ik een bestseller? geef ik een beeld van dit ambulante leven. Overigens biedt deze overlevingsstrategie nog andere voordelen: je komt in contact met je lezers.

Gerrit Jan Zwier

Zuidhorn