Chopin hield mij gezond

In het jaar dat de Britse krant The Guardian in zwaar weer verkeerde, leerde hoofdredacteur Alan Rusbridger Chopin’s Ballade nr. 1 in g mineur op de piano spelen. En schreef daar een boek over. „Het is een les in nederigheid.”

Alan Rusbridger: „Door iets creatiefs te doen ben je rijker, socialer, je ontwikkelt een vaardigheid, gebruikt je hersenen.” Foto Hollandse Hoogte

De dag van Alan Rusbridger, hoofdredacteur van The Guardian en The Observer, begint om half acht, met de radio en kranten tijdens het ontbijt. Dan twee redactievergaderingen, één terugkijkend, één vooruit. De commentatorenvergadering, lunch met collega’s of politici of aan het bureau, werk op de redactie – regelmatig tot negen uur ’s avonds. Vaak dan nog een debat, een lezing, een tv-optreden. Tussendoor het beantwoorden van de zestig tot tachtig e-mails die hij per uur krijgt, de telefoontjes. En om middernacht ligt de nieuwe krant alweer op de mat.

En er is nieuws. Voortdurend nieuws. Dat stopt niet voor een redactie die over twee jaar volledig digitaal wil zijn, onlangs kantoren in New York en Sydney opende, en online inmiddels 77,9 miljoen unieke bezoekers per maand trekt. Noch voor een hoofdredacteur die weliswaar niet alles leest, maar wel verantwoordelijk is voor de zesdaagse Guardian, de zondagse Observer én alle online publicaties. Rusbridger slaapt met in één oor Radio 5, de BBC-nieuwszender. Het is alsof je een hamster bent die maar rond rent in zijn rad, zegt hij.

De enige reden dat Rusbridger (59) niet aan die druk bezwijkt, is muziek. Twintig minuten per dag – hij staat er eerder voor op – laat hij alles vallen om piano te spelen, en één uur per week heeft hij les. „Als ik speel, is er geen ruimte om aan iets anders te denken. Alleen wanneer ik speel, kan ik de rest van de wereld buitensluiten”, vertelt hij.

Hij beschrijft het in zijn boek Play it Again, dat onlangs verscheen. Het is het dagboek van een drukbezet man, die in één jaar Chopins Ballade Nr. 1 in G mineur, opus 23 wil leren – hoewel slechts tien minuten lang een van de moeilijkste pianowerken die er bestaat, zeker voor een „zeer, zeer gemiddelde amateur”. 

Zelfs de wereldberoemde pianist en dirigent Daniel Barenboim, die Rusbridger aanhaalt in zijn boek, noemt de Ballade Nr. 1 „moeilijk te hanteren”: „De G mineur Ballade gebruikt zoveel moeilijke technieken. De sprongen, de vloeiende bewegingen, het zachte spel, het luide spel, de akkoorden – je wordt voortdurend gebombardeerd met nieuwe moeilijkheden, zonder dat er tijd is je voor te bereiden. Ze zijn er opeens en je bent er niet klaar voor.”

Maar, zegt Rusbridger, „de enige manier om zoiets moeilijks onder de knie te krijgen, is door je volledig te concentreren”. In het boek schrijft hij: „Het voelde alsof ik een ander deel van mijn hersenen moest gebruiken.” En: „Chopin hield me gezond. Zonder Opus 23 zou ik makkelijk geobsedeerd zijn geworden – of om preciezer te zijn – nog meer geobsedeerd dan ik al ben.”

In zijn kamer op de redactie, achter King’s Cross Station in Londen, vertelt hij over zijn Chopin-jaar. Hij is een echte muziekliefhebber, die – zoals velen – in zijn tienerjaren was gestopt met musiceren. Op zijn veertigste begon hij weer. Inmiddels speelt hij alweer bijna twintig jaar duetten met vrienden, en sinds een paar jaar gaat hij in de zomer op pianokamp. Rusbridger spreekt zacht, kiest zijn woorden zorgvuldig. Zinnen sterven soms weg als hij nadenkt over hoe hij een antwoord wil formuleren.

Hij wil vooral geen verkeerde indruk wekken: „Nieuws neemt je leven over, maar dit soort stress komt natuurlijk niet alleen voor onder hoofdredacteuren. Als je naar een ziekenhuis gaat, waar verpleegsters acht, negen uur onder hoge druk werken, zal je hetzelfde zien.”

Het jaar dat hij Chopin leerde, viel samen met een hevig nieuwsjaar: in 2011 had je rellen in Londen, de Arabische Lente, een aardbeving in Japan. En het was ook het jaar dat The Guardian en The Observer met de grootste journalistieke scoops van deze eeuw kwamen: Wikileaks en het afluisterschandaal van News of the World.

Rusbridger stond als hoofdredacteur middenin de storm: hij onderhandelde met Wikileaks-oprichter Julian Assange, die steeds paranoïder werd, over de publicatie van miljoenen Amerikaanse staatsgeheime documenten. Hij redigeerde zelf artikelen over hoe tabloid News of the World de voicemail van de verdwenen tiener Milly Dowler hackte, waardoor haar ouders dachten dat ze nog in leven was. Hij pareerde de aanvallen van News International, de uitgever van News of the World, op The Guardian en journalist Nick Davies. Uiteindelijk zou News International de tabloid opheffen.

Rusbridger beschrijft het in zijn boek. Zoals de dag dat de mediaredacteur zonder kloppen al bellend zijn kamer binnenvalt. „Hij herhaalt wat diegene aan de andere kant hem vertelt. ‘Wat, dus jullie sluiten News of the World’, zegt hij. ‘Dat is dus het einde van News of the World? Zondag is de laatste editie?’ Het gesprek gaat nog even door voor hij de kamer uitrent, en ik hem volg. Met grote passen loopt hij de redactie op, zwaait met zijn armen en roept: ‘Het is voorbij, het is voorbij!’ Het is een van de meest dramatische momenten die ik me als hoofdredacteur kan herinneren.”

De meest surrealistische scène is wanneer Rusbridger halsoverkop naar Libië vliegt om te onderhandelen over de vrijlating van Midden-Oosten-correspondent Gaith Abdul-Ahad, die door het Gaddafi-regime is vastgezet. „Terwijl we ontbijten, zie ik een Petrof-piano op de entresol boven het restaurant. Ik vraag de ober of ik mag oefenen. Hij lijkt verbaasd, maar staat het toe. En dus zit ik in Tripoli, te midden van een burgeroorlog, boven een bijna verlaten restaurant – met op de achtergrond Frank Sinatra – en speel de eerste pagina’s van Chopins Ballade.”

„De dagen dat ik speel, zeker tijdens heel hectische periodes, voel ik me klaar om de dag te beginnen”, zegt Rusbridger. Voor het boek interviewde hij onder andere Condoleezza Rice, de Amerikaanse oud-minister van Buitenlandse Zaken. „Ze sprak over haar spel op eenzelfde manier als ik: haar piano-uren waren heilig. In het midden van een oorlog of crisis, speelde ze één keer per maand met een kamermuziekgroep. Dat stond in de agenda, en haar kantoor probeerde daaromheen te werken.”

Rusbridger vergelijkt zichzelf met workaholics die gaan joggen of golfen, en is enigszins geïrriteerd over de kritiek die hij kreeg van lezers en journalisten over zijn piano-spel: „Niemand zal dat ooit zeggen over een topman die naar de sportschool gaat. Dit is mijn manier om me te ontspannen.”

Want het was niet de meest tactische tijd voor de hoofdredacteur om een boek te schrijven over zijn Chopin-liefde – laat staan te beschrijven hoe hij in zijn tweede huis een muziekkamer bouwt en een dure Steinway-piano aanschaft. Het gaat niet goed met The Guardian en The Observer: uitgever Guardian News & Media lijdt sinds 2004 verlies.

Alleen doordat de kranten in bezit zijn van een vermogende stichting zijn ze nog niet failliet. Die stichting werd door de familie van de eerste eigenaar in 1936 opgericht om de onafhankelijkheid van The Guardian te garanderen.

Rusbridger wijst op de 77,9 miljoen unieke bezoekers per maand van de – voor het grootste deel gratis – website. Hij zegt: „Vorig jaar verdienden we meer dan 50 miljoen pond aan digitale advertenties. Volgend jaar is dat meer.” Hij doet het met zijn armen voor: „De lijnen gaan omhoog.”

Over vijf jaar moeten The Guardian en The Observer volledig digitaal zijn, zegt hij. Nu al werken de redacties eerst voor online, dan voor papier. Veel projecten van de krant – bijvoorbeeld de column over de Londense City van Joris Luyendijk – bestaan alleen online. Rusbridger is een groot voorstander van ‘digital first’: alle creativiteit én middelen gaan naar de digitale publicaties. „Papier is een aflopende zaak. Er was een tijd waarin het risicovol was wat ik deed. Maar nu is iedereen het erover eens dat het risicovoller is om je angstvallig vast te houden aan papier.” En hoewel „het nu een moeilijke periode is”, gelooft hij dat de groei in online lezers zich zal vertalen in advertentie-inkomsten.

Hij maakt zich er ook geen zorgen over dat de websites van The Guardian gratis alle kopij weggeven. „We worden gelezen door bijna 80 miljoen bezoekers per maand. Dat is meer dan de drie, vier lezers per krant lezers die we op het hoogtepunt in 2004 hadden. We zijn onmetelijk groter dan ooit.”

Het idee is dat The Guardian een digitaal platform wordt waar redactie en lezers hun kennis delen. Rusbridger legt het uit met een voorbeeld. De theaterrecensent van de krant is een expert, zijn mening over een toneelstuk blijft belangrijk. Maar het publiek, de amateurs die in de zaal zitten, heeft ook een mening: „De recensent plus het publiek is meer dan de som der delen.”

Rusbridger pleit gepassioneerd voor amateurisme, of liever voor het delen van de creativiteit van amateurs, of dat nu burgerjournalisten zijn, bloggers, diegenen die bijdragen aan online encyclopedie Wikipedia of pianisten: op YouTube vond Rusbridger lotgenoten, die net als hij Chopin probeerden te leren en elkaar per video tips gaven.

Hij signaleert „een opwelling van creativiteit”. Amateurs die „in opstand komen tegen het couch potatoism, op de bank hangen voor de televisie”. Of zich misschien net als hij gewoon zoeken naar ontspanning naast hun werk. „Het lijdt voor mij geen enkele twijfel dat je rijker bent door bijvoorbeeld iets creatiefs te doen, socialer, je ontwikkelt een vaardigheid, en gebruikt je hersenen.” Hij speelt regelmatig met vrienden: „Gewoon wat noten lezen, prutsen, een fles wijn opentrekken.”

De dagelijkse twintig minuten zijn méér dan aanrommelen. Rusbridger oefent echt: toonladders, akkoorden, na Chopin nu „wat Debussy en kleinere stukken”. Als tiener haatte hij het oefenen voor een les. Nu niet meer: „Als volwassene oefen je écht, en niet alleen omdat je beseft dat je voor de lessen betaalt.”

Want het is ook een les in nederigheid. Hij vertelt dat zijn leraar onmiddellijk door heeft als hij niet heeft geoefend. „Hij is uiterst nauwgezet, laat me nergens mee wegkomen. Hij geeft me uitbranders. In mijn werk wordt me zelden verteld dat ik iets fout doe. De eerste keer steigerde ik, alsof ik zestien was. Maar al snel rationaliseer je: ik ben volwassen, hij heeft gelijk, ik moet oefenen om beter te worden.”

Alan Rusbridger: Play it Again. An Amateur Against The Impossible. Uitg. Jonathan Cape, 403 blz. € 27,99