Ik moordde om een goede reden

Vijf jaar geleden schoot de blanke boerenzoon Johann Nel vier zwarte Zuid-Afrikanen dood. Correspondent Bram Vermeulen schreef toen een boek over die moord. Hij kreeg de schutter nooit te spreken. Tot nu. „Ik moest een daad stellen.”

Johann Nel werd in 2008 veroordeeld tot vier maal levenslang voor de moord op vier ZuidAfrikanen. Foto HH

Hun namen zijn met witte kalk in zwart graniet gehouwen. Tshepo, op de dag van de schietpartij 10 jaar oud. Keditlhotse, de drie maanden oude baby. Annah, zijn moeder. Sivuyile, die in zijn geboortedorp in de Oost-Kaap werd begraven. Op de gedenksteen heten ze „De vier van het bloedbad van Skierlik”, de naam van de krottenwijk bij het dorp Swartruggens, in het noordwesten van Zuid-Afrika. Hier schoot de blanke boerenzoon Johann Nel begin 2008 zijn geweer leeg op alle zwarten die hij tegenkwam in zijn stormloop. „In nagedachtenis van onze gevallen kameraden en landgenoten. Opdat hun bloed niet vergeefs gevloeid is.”

Het monument is vernield. Een deel van het hek om de graven is uit zijn betonnen ankers getrokken. Bloemvazen zijn over het graf van de baby geschopt. „Mag hun bloed de boom van gerechtigheid voeden, voor ons en de generatie na ons.”

Zo is het dus, in dit dorp, in dit land, vijf jaar later. Ik schreef een boek over de moorden. Een jaar lang bracht ik in kaart hoe de gebeurtenis het dorp – en mijzelf – veranderde.

Aan het eind van dat jaar kreeg Johann Nel vier keer levenslang. De advocaten en criminologen maakten duidelijk dat Nel getekend was door het geweld op het Zuid-Afrikaanse platteland. Hij leed aan posttraumatische stress na een overval, vijf jaar eerder op de boerderij van zijn vader. Een gesprek over een inbraak bij vrienden, de avond voor de schietpartij, zou de druppel zijn geweest voor de jongen. Hij was achttien jaar oud toen hij met het geweer van zijn vader Skierlik binnenstormde, in de vallei onder zijn ouderlijk huis. Hij werd geboren in het jaar dat Mandela werd vrijgelaten. Een kind van het Zuid-Afrika van na de apartheid.

De angst als alibi. Ook de advocaten van paralympisch kampioen Oscar Pistorius die zijn vriendin Reeva Steenkamp in het toilet van zijn eigen huis doodschoot, spelen die kaart. Pistorius’ vader verklaarde dat zijn familie wapens nodig had „omdat de regering te weinig doet om blanken te beschermen”. Volgens die lezing is de echte schuldige niet degene die de trekker overhaalde, maar het land en de ontembare misdaad.

Ik kon het Johann Nel nooit zelf vragen: waarom? Ik sprak iedereen in het dorp, de familie, de slachtoffers, de getuigen. Nel werd door zijn advocaat angstvallig bij me vandaan gehouden, zelfs na zijn veroordeling. Tot nu.

Zijn ouders hebben me uitgenodigd om hen „als vriend van de familie” te vergezellen naar de zwaarbewaakte gevangenis in Louis Trichardt, waar Nel nu is ondergebracht. Dat is ruim vierenhalf uur rijden ten noorden van de plaats delict. Hennie en Corrie Nel hebben hun boerderij en 230 stuks vee verkocht. Bang voor vergelding, uit schaamte voor de daad van hun zoon. De boerderij heeft nu een zwarte eigenaar: de steenrijke Bafokeng-familie, rijk geworden van de platina in hun geboortegrond.

Skierlik bestaat niet meer. De krotten zijn neergehaald. De vijfhonderd bewoners kregen stenen huizen van de ANC-regering, als troost voor het drama. Het huis van de nabestaanden werd een shebeen, een drankhol waar de getuigen van toen zich op zondagochtend laven aan kartonnen bekers vol lauw bier. Thys Legwale is even dronken en klagerig als vijf jaar geleden. „We kregen wel huizen, maar er is geen elektriciteit, geen stromend water, geen riolering. Ze hebben ons troostgeld beloofd. Maar er is niks uitbetaald.”

De stenen huizen zijn als een decor in een filmset. De wijk is nog steeds een armoedeval, kilometers verwijderd van het dorp, de winkels en werk. Drank is alles wat Skierlik op de been houdt. Er waren confrontaties met de boeren in de omgeving. In achttien maanden tijd werden negentig stuks vee gestolen. Boer Wilhelm Roché, vriend van de familie Nel, werd opgepakt na een vuurgevecht met veedieven uit de wijk. Een van hen overleed. De dodelijke kogel bleek later uit het pistool van een van de andere veedieven te zijn gekomen. Roché werd vrijgesproken. Er werden in vijf jaar tijd drie blanke boeren overvallen in de omgeving. De hoofdweg werd verbreed. Dat is het wel.

„Ons kind is nog steeds dood”, zegt Dikeledi Motshelano, nicht van de overleden Tshepo. „Praten over die gebeurtenis doet ons enkel pijn. We willen vergeten. We willen er niet meer over nadenken.”

Het duister is ingevallen als Hennie Nel de poort van zijn nieuwe onderkomen in Louis Trichardt openzwaait. De Nels huren een klein huisje op het land van een andere boer. De stroom is uitgevallen. Alleen de kolen van de barbecue lichten op. „Welkom in het nieuwe Zuid-Afrika”, schampert Hennie, terwijl hij grote lappen kalfsvlees op het vuur legt.

Het leven hier in het verre noorden is beter dan in het wilde westen, vindt hij. „De zwarten zijn aardiger hier. Ze lopen je niet van de stoep.” Ze kennen niemand in Louis Trichardt. De hele week staat in het teken van het bezoekuur op zaterdagochtend. „Het is je kind”, zegt Hennie en bijt op zijn lip. „Je kunt hem niet zomaar in de steek laten, voor wat hij heeft gedaan. Je moet bij elkaar blijven.”

In het halfdonker richt een spichtig meisje zich op. „Maryna”, stelt ze zich voor. Johann Nels echtgenote. Ze trouwden achttien maanden geleden in de gevangenis. „Mijn broer zit vast wegens een gewapende overval. Ik zag Johann tijdens het bezoekuur. Liefde op het eerste gezicht. Toen ik hoorde waarom hij vastzit, kon ik me niet voorstellen dat hij dit had gedaan. Hij was jong. Hij dacht niet na. Hij was zichzelf niet.”

Ze is kind uit een gespleten gezin. Haar moeder wilde niks van haar weten, haar vader werd op een ander verliefd. Ze werd mensenschuw, zegt ze. Mannenschuw. Een relatie met een jongen achter tralies, veiliger kon ze niet kiezen. Ze pakt het trouwboek erbij. Foto’s met een lachende Johann. Maryna heeft er met viltstift lieve woordjes om heen geschreven: „I love you so much”.

Nog achttien jaar, heeft ze uitgerekend. Dan kunnen ze bij elkaar zijn. „Als hij tenminste niet nog een keer indiaantje gaat spelen.”

De volgende ochtend rijden we zwijgend naar de gevangenis. Maryna heeft haar lippen rood gestift. Ze woont nu permanent bij de Nels in huis. Het leven draait om Johann. Hij mag twee keer per dag bellen, een keer in de ochtend, een keer in de avond.

Voor de gevangenis van Louis Trichardt staat een lange rij. Een blanke moeder en haar dochter proberen voor te kruipen. Hennie schudt geërgerd zijn hoofd. „Zo geven ze alle blanken een slecht imago.” Hij groet de zwarte bewakers joviaal. In zijn onbegrensde vrees voor de nieuwe verhoudingen in Zuid-Afrika doet hij zijn best zich aan te passen.

We nemen plaats aan een tafel voor vier in de bezoekerszaal. Drie groene zitplaatsen en een rode. „Die is voor Johann”, zegt Maryna. Alsof de zitplaats voor veroordeelden een troon is. Haar brede glimlach verraadt zijn aankomst. Plots staat hij naast me. Hij tilt Maryna in de lucht, draait om zijn as, en kust haar vol op de lippen. Hij lijkt in niets op het schichtige hert dat begin 2008 onder zware politiebewaking de rechtszaal werd binnengeleid. „Dit heb ik voor jou gemaakt, lange”, zegt hij en zet een houten miniatuur op tafel. Een cello. „Het is een goede Griekse traditie om cadeaus te geven. Jouw wederdienst zal zijn dat je niks slechts over me schrijft.” Maryna en Hennie grinniken. Johann Nel studeert oude geschiedenis en pronkt er graag mee. Hij weet over mijn nieuwe standplaats: Istanbul, het oude Constantinopel. „Byzantium”, pocht hij. „Vernietigd door de Perzen, herbouwd door de Spartanen.”

Hij zoent Maryna onophoudelijk op haar voorhoofd. Hij lacht breeduit. De moord op zijn vier dorpsgenoten lijkt nooit gebeurd.

Hij is gelukkig hier, zegt hij. „Gelukkiger dan ik ooit geweest ben, ook buiten de gevangenis. Ik was al dood daar. De gevangenis is gewoon een plaats als alle andere, waar je leeft, eet en slaapt. Het enige verschil is dat je verwijderd bent van je geliefden.” Hij geeft Maryna een vluchtige kus. „Hier voel ik me veilig. Hoeveel moorden zijn daarbuiten in het afgelopen jaar gebeurd? 18.000? 19.000? In drie jaar tijd hebben we hier zeven steekpartijen gehad. Dat is alles.”

Ze laten hem met rust hier, zegt hij. Alleen de gedetineerden zonder familie of steun buiten de gevangenis zijn doelwit. Die worden beroofd, geplaagd, misschien verkracht. Niemand maakt zich hier druk om hem, de viervoudige moordenaar van Skierlik.

De avond tevoren liet Hennie foto’s zien van zijn nieuwe vrienden. Johann zat lachend op de foto met zijn zwarte celgenoot.

Heb je vrienden hier?

„In de gevangenis heb je geen vrienden. Iedereen is bezig te overleven.”

Hij groeide op in isolement. Zijn moeder haalde hem van school toen hij negen jaar oud was. Zwarten kende hij enkel als knechten op de boerderij of uit de verhalen van de boeren uit de omgeving en hun angst voor overvallen.

Ik zag dat je zwarte vrienden hebt gemaakt. Ben je anders naar zwarten gaan kijken, in de gevangenis?

„Nee. Hun cultuur is anders dan de onze. Ze zijn gewelddadig. Ze verkrachten. Ze moorden.”

Jij moordt toch ook?

„In Bijbelse termen heb ik niemand vermoord. Ik deed het om een goede reden.”

Wat was die reden dan?

„Ik wilde een statement maken. Ik moest een daad stellen. Het land lijdt aan moreel verval. De Afrikaners staan er bij en kijken er naar. Ze zijn gedwee. Ze laten het allemaal gebeuren. Ik wilde inspireren en duidelijk maken wat er mis is met ons land. Er is een verschil tussen doden en moorden. Je noemt Fransen in hun strijd tegen Duitsers toch ook geen moordenaars? Of de Israëlieten in Egypte?”

Dus je hebt jezelf opgeofferd voor die strijd?

„Ik had toch geen leven. Ik ben geen racist, ik ben een separatist. Ik wil een eigen regering voor de blanken.”

Maar je hebt ook het leven van je ouders geofferd. Ze hebben de boerderij moeten verkopen door wat je hebt gedaan.

„Die boerderij hadden ze uiteindelijk toch wel verkocht. En met mijn broer gaat het prima.”

Hennie Nel kijkt zwijgend voor zich uit. Maryna geeft Johann een zoen op zijn wang.

Ken je de zaak van de Noor Andes Breivik, die 77 mensen doodschoot? Vergelijk je jezelf met hem?

„Hij interesseert me niet. Hij schoot zijn eigen mensen dood. Dat zou ik nooit doen. In mijn hele leven niet.”

Ken je de namen van de mensen die je hebt doodgeschoten?

„Nee. Ik hoef het ook niet te weten. Het was niks persoonlijks. Ik heb in de menigte geschoten.”

Kun je mij eens terugnemen naar die maandagochtend in 2008. Wat was de druppel? Waarom heb je dat geweer gepakt en ben je naar Skierlik gereden?

„Laat ik hier niet mijn eigen graf gaan graven. Geen commentaar.”

Je was heel gestrest over de criminaliteit om je heen, zei je advocaat.

„Ja, nu we er over praten beginnen mijn vingers weer te trillen. Maar laat me een ding duidelijk maken. Posttraumatische stress maakt je nog geen moordenaar. Het maakt je angstig, maar geen moordenaar. Dat is slechts 20 procent van het verhaal. Ik wilde iets doen. Iemand moest duidelijk maken dat het genoeg was geweest.”

Hennie onderbreekt het gesprek. „Wat wil je drinken? Een cola?”

Ik knik. Johann schudt zijn hoofd. „Cola is slecht voor je. Laat me jou eens een vraag stellen. Ik las in je boek dat je een kind hebt. Maar ik hoor dat je nooit getrouwd bent. Dat is moreel verwerpelijk.”

Maryna grinnikt. Johann neemt de controle over het gesprek over. Hij is in zijn nopjes. Hij haalt de gouden ring van zijn vinger. Matteüs 19. Vers 1-12, staat er in gegraveerd. ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één worden; ze zijn dan niet langer twee, maar één. Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.’

Johann knikt. Hij zal Maryna nooit verlaten. Moreel verval bedreigt het land, vindt hij. Hij heeft in zijn cel over de zaak-Pistorius gehoord. „Ik begrijp uit de krant dat dit meisje al drie maanden bij hem thuis kwam. Als ze hadden gewacht tot hun bruiloft, was dit niet gebeurd. Dan had ze nu nog geleefd.”

De cipier komt aan de tafel staan. „Time is up.” Johann verdwijnt met Maryna naar een hoek in de bezoekersruimte. Ze omhelzen elkaar. Maryna huilt.

Zwijgend rijden we naar huis. Corrie heeft ontbijt klaargemaakt. Een pan met braadworst staat naast een schaal vol roereieren. Hennie grapt over de uitdagende toon waarmee zijn zoon mij toesprak. Dan wordt hij serieus. „Johann wilde de mensen laten zien hoeveel blanken er in dit land vermoord worden. Hij wilde hun ogen openen. Ik ben ook separatist. Ik geloof ook dat het beter is dat blanken hun eigen regering krijgen in dit land. Maar wat hij gedaan heeft, was zinloos. Het heeft niks opgeleverd. Het was verspilling.”

In 2009 verscheen bij uitgeverij Prometheus Help ik ben blank geworden, bekentenissen van een Afrika-correspondent. Bram Vermeulen is sinds 2009 correspondent in Turkije.