Turkse xenofobie wijdverbreid

Haat tegen Joden, homo’s en westerlingen leeft niet enkel onder opgeschoten pubers maar is wijdverbreid in Turkse kringen, schrijft Ruud Koopmans.

De begrippen onverdraagzaamheid en vreemdelingenhaat verwijzen gewoonlijk naar de houding van autochtone Nederlanders tegenover immigranten en etnische minderheden. De affaires rond het door een lesbisch paar geadopteerde Turkse jongetje Yunus en de antisemitische uitspraken van Turkse pubers laten zien dat ernstige vormen van xenofobie ook in migrantengroepen te vinden zijn. Gevoed door een mengsel van ultranationalisme en religieus fundamentalisme tiert met name binnen de Turkse gemeenschap de haat tegen Joden, homoseksuelen, westerlingen, maar ook tegen afwijkenden binnen de eigen groep, welig.

„Hoe hebben jullie zulke ideeën gevormd?”, vroeg jongerenwerker Mehmet Sahin keer op keer vertwijfeld wanneer zijn jonge gesprekspartners hem met weer een genadeloze uitspraak over Joden confronteerden. Maar wie de Turkse premier Erdogan hoort, de Turkse media volgt, of zijn oor in Turkse kringen te luisteren legt, weet dat antisemitisme binnen de Turkse gemeenschap niet tot opgeschoten pubers beperkt blijft. In een onderzoek dat ik met collega’s van het Berlijnse onderzoekscentrum WZB deed, bleek zes procent van de ondervraagde autochtone Nederlanders het eens te zijn met de stelling „Joden zijn niet te vertrouwen” en 21 procent meende te weten dat er „een geheim Joods netwerk bestaat dat grote invloed heeft op de wereldpolitiek”. Onder Turkse Nederlanders, vindt 46 procent Joden niet te vertrouwen en 66 procent gelooft in het bestaan van een geheim Joods netwerk. Zelfs onder Marokkaanse Nederlanders zijn antisemitische opvattingen minder verbreid dan onder Turken (32 en 53 procent, respectievelijk).

Het Turkse antisemitisme is ook in Turkije zelf te vinden. Volgens een onderzoek uit 2006 van het Istanbulse TESEV instituut heeft 61 procent van de Turken liever geen Joden als buren en meent 55 procent dat Joden de wereldeconomie controleren. Antisemitisme blijft ook niet beperkt tot jongeren maar is onder de eerste generatie, die nog in Turkije geboren is, aanzienlijk sterker (53% vindt Joden niet te vertrouwen) dan onder de in Nederland geboren tweede generatie (33%). De Turkse pubers hebben hun antisemitisme dus van de oudere generatie en van het land van herkomst.

Dat dat niet allemaal aan de Israëlische politiek ligt – als dat al een legitieme reden voor haat tegen Joden in het algemeen zou zijn – blijkt wel uit het feit dat de afkeer niet tot Joden beperkt blijft. Meer dan de helft (53%) van de Turkse Nederlanders wil geen homoseksuelen in hun vriendenkring, tegen 40 procent bij Marokkanen en vier procent bij autochtonen. En uit het Turkse onderzoek van TESEV blijkt dat de haat tegen alles dat anders is ook de minderheden in het eigen land treft. De gemiddelde Turk heeft nog liever een Jood dan een Koerd of een Aleviet – een liberale islamitische minderheid – als buur.

Ligt het dan misschien aan de veel besproken islamofobie, die Turken en andere moslims uitsluit en in de hoek drukt en ze van de weeromstuit zelf tot vreemdelingenhaters maakt? Inderdaad onderschrijft bijna een op de vijf autochtone Nederlanders (19%) in ons onderzoek het Wilderiaanse vijandbeeld „moslims zijn erop uit de Westerse cultuur te vernietigen”. Maar dat valt in het niet vergeleken bij de „occidentofobie” onder Turkse Nederlanders, waarvan 62 procent het eens is met de stelling: „Het Westen is erop uit de islam te vernietigen”. Ook hier laten de Turken de Marokkanen achter zich, van wie ‘maar’ 45 procent dit vijandbeeld van het Westen onderschrijft.

Uit ons onderzoek blijkt dat er een sterke samenhang bestaat met steun voor islamitisch fundamentalistische denkbeelden, en bij Turken ook met het uitgesproken Turkse nationalisme. Om met het laatste te beginnen: de identificatie van Turken met hun land van herkomst en met de eigen gemeenschap is extreem sterk. Zo geeft 76 procent aan zich ‘volkomen’ Turks te voelen en is niet minder dan 93 procent er zeer trots op Turk te zijn. Iets minder dan de helft van de Turken geeft aan zich ook wel Nederlander te voelen, maar de meeste daarvan doen dat toch niet meer dan ‘een beetje’ en trots op het Nederlanderschap zijn maar weinigen van hen. Hoe sterker de identificatie met Turkije en Turken, des te sterker ook de afkeer van Joden, homoseksuelen, en het westen. Omdat het Turkse nationalisme, zowel in Turkije als onder de migranten in Europa, zo uitzonderlijk sterk is, gaat het ook met een uitgesproken hoog niveau van xenofobie gepaard.

De tweede factor is het religieus fundamentalisme. Van de Turkse Nederlanders vindt 76 procent (Marokkanen 72%) dat er maar één interpretatie van de Koran is en dat elke moslim zich daaraan moet houden. Zeker, dergelijke opvattingen zijn ook onder autochtone christenen te vinden, maar daarvan vindt slechts 15 procent dat er maar één interpretatie van de Bijbel mogelijk is. Op de stelling „Voor mij zijn de regels van de Koran belangrijker dan de wetten van Nederland” antwoordt 69 procent van de Turkse Nederlanders (Marokkanen 71%) bevestigend. Hoe sterker het religieuze fundamentalisme, hoe sterker de afkeer van andere groepen. Ook dat geldt zowel voor autochtone christenen als voor Marokkaanse en Turkse Moslims, maar omdat bij de laatste twee groepen religieus fundamentalistische opvattingen veel sterker verbreid zijn, heeft dit navenante uitwerkingen op de mate van xenofobie.

De twee recente affaires rond het pleegkind Yunus en de antisemitische Arnhemse jongeren zijn dus geen op zichzelf staande incidenten. De Turkse media maken zich al geruime tijd druk over adopties van Turkse kinderen in niet-Turkse en niet-islamitische pleeggezinnen, tot nu toe vooral aan de hand van gevallen uit Duitsland. Dat daar nu in Nederland ook nog eens een lesbisch pleeggezin bij komt maakt de zaak er in de ogen van veel Turken nog erger op dan het sowieso al is. Gelukkig zijn tot nu toe nog geen gevallen van Joodse pleegouders aan het licht gekomen, want dan waren de poppen helemaal aan het dansen geweest. In toespraken voor Turken in het buitenland verkondigt de Turkse minister-president Erdogan graag dat assimilatie een misdaad tegen de menselijkheid is. Het zou beter zijn als hij eerst zijn eigen stoepje schoonveegt – wat tolerantie ten opzichte van andere groepen betreft zou een beetje meer assimilatie beslist niet misstaan.

Prof. dr. Ruud Koopmans werkt voor het WZB Onderzoekscentrum voor sociaal onderzoek in Berlijn