Speel het toch simpel!

Voor het eerst is in het Nederlands het complete toneelwerk van Anton Tsjechov verschenen. Eindelijk kun je zien dat ook in zijn vroege, Monty Python-achtige kluchten al een groot talent doorschemert.

Sergej Alimov, gouache bij Tsjechovs beroemde verhaal ‘Zaal nr. 6’ (1892) Illustratie Tretjakov Galerie, Moskou/Hollandse Hoogte

Wanneer een Nederlands toneelgezelschap een stuk van Anton Tsjechov opvoert, word je als toeschouwer meestal geconfronteerd met een paar acteurs die op schreeuwerige en pathetische wijze het menselijk onvermogen proberen te vertolken. Door zo’n interpretatie waan je je, naarmate de bedrijven elkaar opvolgen, vaak eerder in een psychiatrisch dagverblijf dan in een theater. Het zal die ‘Russische ziel’ wel zijn, zullen velen in de zaal denken.

Woon je daarentegen in Moskou een opvoering van een Tsjechov-toneelstuk bij, wat ik de afgelopen vijf jaar met enige regelmaat heb gedaan, dan ervaar je een andere werkelijkheid: die van een subtiel spel waarin je bijna fluisterend duidelijk wordt gemaakt dat het leven één grote en onontkoombare tragedie is. Natuurlijk zijn er ook hier de nodige emotionele uitbarstingen, zelfmoorden en jankpartijen, maar die hebben vaak iets lichtvoetigs en komisch, waardoor de onmacht en het onderdrukte verdriet van de personages je veel meer naar de keel grijpen dan bij al dat geschreeuw. Die ‘Russische ziel’ is nergens te bekennen, want die bestaat volgens mij hooguit in de dramatische levenshouding, waar vooral eenzame Russinnen prat op kunnen gaan.

De vorig jaar overleden regisseur Pjotr Fomenko wist met zijn Moskouse gezelschap de kern van Tsjechovs toneelwerk briljant te vatten. Zijn interpretatie van Drie zusters uit 2006 is dan ook legendarisch geworden en geeft een indringend beeld van de speelse veerkracht waarmee veel Russen, toen en nu, de tegenslagen in hun leven weten te keren of te accepteren.

In hun nawoord bij Tsjechovs complete toneelwerk, dat deze week in Van Oorschots Russische Bibliotheek in een perfecte nieuwe vertaling is verschenen, benadrukken Yolanda Bloemen en Marja Wiebes diens hekel aan sentimentaliteit en bombast. Ze halen daarbij een tijdgenoot van Tsjechov aan die hem bij een repetitie gadesloeg en noteerde: ‘Dikwijls interrumpeerde hij de acteurs om te bepleiten: „Niet theatraal, alsjeblieft! Laat het simpel zijn, gewoon simpel!”’

Om dat aanstellerige acteren te voorkomen, noemde Tsjechov zijn laatste stuk, De kersentuin, een komedie, in de hoop dat de acteurs hun personages ‘licht’ zouden spelen en de regisseur het niet in zijn hoofd zou halen om met realistische details een schijn van werkelijkheid te scheppen. Alleen op die nuchtere ‘lichte’ manier kon het menselijk handelen volgens de schrijvende arts het best worden geanalyseerd.

Tsjechov had zich overigens altijd al gestoord aan de huilerige wijze waarop Stanislavski zijn stukken regisseerde, diezelfde Stanislavski wiens method acting zoveel Nederlandse acteurs tot leidraad is. Toen De kersentuin in 1904 in première ging, beklaagde hij zich opnieuw, dit keer bij zijn vrouw, de actrice Olga Knipper: ‘Stanislavski heeft mijn stuk geruïneerd.’

Wat Tsjechov op het toneel beoogde, kun je prachtig opmaken uit de nieuwe vertaling van Bloemen en Wiebes, die veel extra’s bezit dankzij de volledigheid die zij bieden. Stonden in de vorige, uit 1956 daterende editie slechts dertien stukken, vertaald door Charles B. Timmer, nu zijn dat er dertig. En in die zeventien nieuwe stukken zit de meerwaarde van dit prachtboek.

Natuurlijk is Tsjechovs toneelwerk de gids bij uitstek voor het provincieleven, zoals hij dat zelf heeft ervaren in het Zuid-Russische Taganrog, aan de Zee van Azov, waar hij in 1860 werd geboren als zoon van een tirannieke kruidenier. Hij hield er een afkeer aan over van kleinburgerlijkheid, benepenheid, kortzichtigheid en bekrompenheid.

Die afkeer is in zijn meeste verhalen en toneelwerken voelbaar. In Drie zusters zegt broer Andrej bijvoorbeeld over zijn stad Perm: ‘… er is niet één stuwende kracht in het verleden of het heden, niet één geleerde, niet één kunstenaar, niemand die er ook maar een beetje uitspringt, op wie je jaloers zou kunnen zijn, wiens voorbeeld je dolgraag zou willen volgen...’ En zoals de koopman Lopachin, de antiheld uit De kersentuin zegt: ‘Laten we er maar eerlijk voor uitkomen, ons leven is stompzinnig.’ Dat ‘Laten we er maar eerlijk voor uitkomen’ is typisch iets voor Tsjechov, want juist die zeven woorden maken wat erop volgt des te schrijnender.

Al in het eerste stuk in deze volledige editie, Een domme vrouw, of een kapitein in ruste (1883), zie je Tsjechovs grote gevoel voor humor, dat ook in zijn vroege verhalen zit. Het begint al met de eerste regieaanwijzing in deze ‘Korte scène uit een niet-bestaande vaudeville’, waarin de koppelaarster Loekinisjna wordt neergezet: ‘En profil lijkt ze op een slak, en face op een zwarte spin. Spreekt overdreven gedienstig en hikt na ieder woord.’

Veel van de zeventien ‘nieuwe’ stukken zijn kluchten, waarin met deuren wordt geslagen en te veel wordt gedronken. Ze geven een goed beeld van het voortsukkelende leven van het gewone volk in het Rusland aan het eind van de 19de eeuw. Vaak moest ik aan André van Duin en aan Monty Python’s Flying Circus denken. Maar ook vielen me de mooie, eenvoudige Tsjechov-zinnen op, zoals ‘Het is zo donker alsof iemand de lucht met teer heeft ingesmeerd.’

In sommige van die stukken komt Tsjechov met originele vondsten, zoals in het korte De zaak van het jaar 1884. Daarin staat het jaar uit de titel terecht, dat zich vanuit de beklaagdenbank verdedigt met: ‘Ik word allereerst beschuldigd van ledigheid, dat ik niets heb uitgevoerd, dat de economische situatie niet is verbeterd, dat de beurskoers niet is gestegen en dat de industrie in het slijk is blijven steken etc... Dat is mijn schuld niet... U herinnert zich wel wat ik aantrof toen ik een plaats kreeg toebedeeld voor het nieuwe jaar...’ Als beklaagde 1884 twee bladzijden later door de rechter tot de Vergetelheid wordt veroordeeld, besef je ineens dat Tsjechov eigenlijk het lome rijk van de autocratische tsaar Alexander III (1845-1894) heeft neergezet, waarin het leven stil leek te staan en het grijs en grauw overheersten.

Mooi is ook Zwanenzang (1887), dat al in de Charles B. Timmer-uitgave stond, maar nu veel beter en helderder is vertaald. Het gaat over een uitgebluste acteur (‘Wat ben ik voor een talent? Een uitgeknepen citroen, een ijspegel, een roestige spijker...’), die zich al klagend tegen zijn souffleur in zijn ijdelheid wentelt en geen onderscheid meer weet te maken tussen schijn en wezen. Hier doet de serieuze en subtiele toneelschrijver van een paar jaar later zich al in vol ornaat gelden in een soort voorbode van het beklemmende Oom Vanja.

Uit vrijwel alle toneelstukken blijkt Tsjechovs neurotische angst voor het huwelijk. Het gezinsleven beschouwde hij als de grootste bedreiging voor zijn creativiteit, als het einde van het echte leven. Je ziet het in Ivanov (1889), waarvan Bloemen en Wiebes zowel de drama- als de komedieversie hebben opgenomen. Ivanov kwijnt weg omdat hij na vijf jaar huwelijk niet meer houdt van zijn doodzieke vrouw. Zinnen als ‘maar ik voel geen liefde of medelijden, alleen leegte en vermoeidheid’ of ‘Trouw niet met een Jodin, een psychopate of een blauwkous, maar kies iets alledaags, iets grijzigs, waar geen kraak of smaak aan is. Hoe grijzer en eentoniger de achtergrond, des te beter’ zijn behalve mooi ook veelzeggend over Tsjechovs bindingsangst. Dat hij drie jaar voor zijn dood trouwde met de beroemde actrice Olga Knipper doet daar weinig aan af; in de praktijk zag hij haar zelden.

Een echt grote aanwinst in deze complete toneeleditie is het pas in 1924 opgevoerde Tatjana Repina (1889). Het gaat over een vrouw die door haar man is bedrogen en zichzelf heeft vergiftigd. Tijdens het huwelijk van haar man met zijn vroegere minnares duikt een in het zwart geklede vrouw in de kerk op, die sprekend op haar lijkt, door iedereen wordt herkend en zich eveneens vergiftigt uit liefdesverdriet. De zinloosheid van het bestaan krijgt er onbegrensde afmetingen door.

Als smaakvol toetje dienen de beide vertalers in een supplement Vaderloosheid op, een onvoltooid stuk dat Tsjechov op zijn 18de schreef en pas na zijn dood werd ontdekt. Het is vaak opgevoerd als Platonov en geeft een schitterend beeld van de richtingloosheid van de Russische maatschappij, de corrupte rechters, het antisemitisme, de lethargie, de angst van het volk voor zijn bestuurders. Als stuk is het langdradig en telt het te veel personages, maar alle kwaliteiten van de rijpere Tsjechov zijn al zichtbaar.

Uit deze nieuwe vertaling kun je nog meer dan vroeger opmaken dat Tsjechovs toneelstukken tijdloos zijn. Zeker als je het over Rusland hebt, waar alles sowieso tergend langzaam verandert. Lopachin, de selfmade projectontwikkelaar uit De kersentuin, lijkt in veel opzichten op de vertegenwoordigers van de nieuwe middenklasse, die Moskou sinds de economische boom onder Poetin in groten getale telt. Ze zijn op een westerse manier dynamisch en lijden niet aan de lethargie waarin de vroegere landadel en de sovjetelite uitblonken.

Maar hoe langer ze rijk zijn, hoe meer ze op die vroegere elite gaan lijken. En dan is die lethargie ineens weer terug. Een zoveelste première van een Tsjechov-stuk slaan ze daarom zelden over. Toneel is voor hen een wezenlijke behoefte, omdat in het theater als nergens anders in hun land de leugen van de waarheid wordt onderscheiden. En precies in de ontleding van die vervormde realiteit toont Tsjechov zich een ongeëvenaarde meester.