Column

Oogklep

De ingreep door de oogchirurg was klein geweest, maar de cosmetische gevolgen hadden iets dramatisch. Mijn oog kreeg een grote klep van doorzichtig plastic, met forse pleisters aan mijn gezicht vastgemaakt. Ik zag eruit als iemand die net door Badr Hari onder handen was genomen; zo ziet Badr Hari er tegenwoordig overigens ook zelf uit.

In de wachtkamer van een oogkliniek val je met zo’n spectaculaire uitmonstering nauwelijks op. Uit een deur aan de achterzijde, waar de operatiekamers waren, kwamen met grote regelmaat nieuwe oogkleppers binnen. Ze schuifelden naar een wachtend familielid, dat snel een kop koffie ging halen. Andere wachtenden keken ongerust van hun lectuur op. Zagen ze er straks ook zo uit? Het antwoord was: ja.

De gemiddelde leeftijd bij de oogarts ligt hoog. Zijn wachtkamer lijkt dan ook op een bejaardensociëteit, waarvan de nieuwe leden nog een beetje moeten wennen. De oudere leden weten al precies wie de dokters en hun assistenten zijn, de nieuwkomers kijken nog nieuwsgierig rond.

Eén zekerheid had ik inmiddels: voor je geopereerd werd, belandde je met hooguit vijf andere patiënten in een kleinere wachtkamer, een voorgeborchte van de operatiekamers. Daar vroeg een vriendelijke assistente naar je geboortedatum, voordat ze met tussenpozen verdovende druppels in je oog begon te gieten.

Wie het dichtst bij de schuifdeur zat, was het eerst aan de beurt voor de operatie. Langzaam, stoel voor stoel, schoof je naar die plek op. Voor je richting oogschavot vertrok, kreeg je een mutsje op en werd je in afdekkende kleding gehesen. De sfeer was bevangen. Niemand kende elkaar, men praatte omdat zwijgen zo onvriendelijk leek.

Vrolijk werd het pas in de operatiekamer waar pittige soulmuziek klonk. Was dat om de patiënt af te leiden, vroeg ik voorzichtig. Nee, het was een soort arbeidsvitamine voor het operatieteam, begreep ik. Ik hoopte dat Otis Redding Try a little tenderness zou gaan zingen – dan hoefde ik daar zelf niet meer om te vragen. Maar het bleek niet nodig, de druppels hadden hun werk voortreffelijk gedaan.

Een oogpatiënt die geopereerd wordt, heeft het eigenlijk erg makkelijk: hij hoeft alleen maar achterover te liggen en in een scherp geel licht te staren, terwijl er op geheimzinnige, maar gelukkig pijnloze wijze in zijn oog gewoeld wordt. Het enige wat je moet doen, is je fantasie volledig uitschakelen, vooral als je de arts iets over een ‘sneetje’ of ‘mesje’ hoort mompelen.

Voor je het weet, sta je weer buiten. Pas dan begint het moeilijke gedeelte – door die oogklep. Vroeg of laat moet je ermee de bewoonde wereld in. Chaufferen mag niet, dus je moet je laten rijden.

Ik nam de metro. Hoe zouden de mensen op mijn klep reageren? Ik was benieuwd naar mijn nieuwe rol als slachtoffer. Mijn ervaringen waren wisselend. De meeste mensen doen alsof ze niets zien, of kijken snel weg, slechts enkelen namen me aandachtig op – ja, dat viel tegen.

Ik moet een uitzondering maken voor het ongeveer 3-jarige jongetje, dat door zijn moeder in een zitje op de vloer van de metrotrein was gezet. Op zijn pipse gezichtje troonde een brilletje met een groen montuur. Het gaf hem iets weerloos en zieligs, het gevoel dat ook schele kindertjes je kunnen geven. Dit jongetje keek me volkomen verbijsterd aan, de hele rit lang, alsof hij voor het eerst besefte: het begint met een groen brilletje en het eindigt met zo’n weerzinwekkende oogklep. Ik kon hem niet geruststellen.