Laat die idealen maar los

Allard Schröder is een van de beste schrijvers van zijn generatie. Met De dode arm schreef hij een meesterstuk over gestolde tijd.

In De dode arm verkent Allard Schröder (1945) op poëtische wijze de mythes van de babyboomers, de soixanthuitards, of hoe de naoorlogse protestgeneratie zich ook manifesteerde. In de gedaante van zijn eveneens in 1945 geboren hoofdpersoon Ernst Elfkind komen ze allen samen in een overweldigende cultuurgeschiedenis: de hippies en bloemenkinderen, de dromers en blowers, de poëtische hemelbestormers maar ook de links radicale Duitse studenten die – in navolging van hun nazi-ouders – een hel op aarde creëerden.

De grote idealen zijn geperverteerd en behoren tot een voorbije wereld, is de teneur van deze breed opgezette generatieroman. Ernst Elfkind bedient zich van een hele rits achternamen. Als ‘bastaard’ van een Nederlandse moeder en onbekende vader voelt hij zich ontheemd in zijn tijd, waarin hij zonder duidelijke identiteit nooit thuis zal zijn. Afwisselend gebruikt hij de achternaam van zijn moeder (Coltersteen), zijn stiefvader (Wolkenband) en zijn vermeende biologische vader (Thuler). Het enige dat hem een beetje houvast geeft omtrent zijn afkomst, is zijn tweede voornaam Elfkind, die in de familie van zijn verwekker van generatie op generatie is doorgegeven.

Als een elf zweeft Ernst door jaren vijftig en begin jaren zestig. Doodse jaren zijn het, vergelijkbaar met het stilstaande water in de dode arm van de rivier bij zijn huis. De eindeloze verveling verdraagt hij alleen door zijn beleving van de tijd en het landschap mythische proporties te geven. Zoekend naar zijn biologische vader zal hij in de loop van zijn leven ervaren dat elke identiteit op mythes berust, ontworpen door de grote literaire schrijvers en dichters van Homerus tot Bob Dylan. Als het waar is, zoals Oek de Jong elders in deze bijlage schrijft, dat wij de uitstervende ‘kinderen van de roman’ zijn, gevormd naar het beeld dat schrijvers van ons hebben geschapen, dan voert Allard Schröder in dit boek een van de laatste van deze door fictie en mythologie gevormde kinderen ten tonele.

De thematiek van De dode arm is verwant aan die van De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch: WO II achtervolgt ons tot in het zesde geslacht. Maar Schröder kijkt anders naar de cultuuromslagen in de tweede helft van de 20ste eeuw. Hij schrijft over zijn tijdgenoten met gebruikmaking van hun eigen mythes. En wie Schröders eerdere romans kent, doorziet dat De dode arm daarmee ook een persoonlijke verwerking is van ‘zijn’ tijd, waarmee hij net als zijn personages, nooit kon samenvallen.

Schröder beschrijft achtereenvolgens de jeugd van Ernst Elfenkind in de Nederlandse provinciestad, A***, zijn vlucht naar Frankfurt, zijn liefdesrelaties met een potentiële RAF-terroriste, een schatrijke oudere gravin en het door drugs en misbruik beschadigde suïcidale ex-fotomodel Pearl.

Een sleutelscène in het boek speelt zich af aan het einde van Ernsts jeugd, in 1965, als hij in de dode arm van de rivier zijn buurmeisje Almi ziet verdrinken. Zij is een sprookjesfiguur, een blond feetje, dat geestelijk kind is gebleven, symbool van de onschuld. Ernst ziet haar ten ondergaan in het bijzijn van een werkeloos toekijkende Mephisto-achtige gestalte, een ‘tijdgeest’, die hem het hele boek door zal blijven vergezellen en overal opduikt waar ingrijpende historische gebeurtenissen zijn wereld- en zelfbeeld doen kantelen.

De verwijzing naar Goethes Faust ligt er nogal dik op, maar is functioneel. In alle episodes in het leven van Ernst keren betekenisvolle scènes terug waarin de vermoorde onschuld Gretchen optreedt samen met een Faust-achtige figuur die zijn ziel verkoopt aan de tijdgeest en ook de duivel zelf ten tonele verschijnt.

Hoewel de mythe van de eeuwige jeugd, die de protestgeneratie voor zichzelf creëerde, een Leitmotiv is in het boek, heeft Schröder zich juist in dat aspect van de culturele revoluties niet goed ingeleefd. Zo laat hij Ernst in 1970 op een bijeenkomst van links-radicale Duitse studenten zijn oren sluiten voor een song van Bob Dylan die pas in 1974 uitkwam. Wel schetst hij het milieu van de Rote Armee Fraktion waarin hij via zijn geliefde Brigitte verzeild raakt geloofwaardig. Het meisje blijkt even weerzinwekkend als haar nazi-vader, behept met hetzelfde type gevaarlijke idealen. Zij kiest voor de gewapende strijd om haar leven als ‘bruid van de haat’ een plot te geven, zonder te beseffen dat ze de gevangene is van die haat. Net als Ernst, die daadwerkelijk in de gevangenis belandt, zit ze opgesloten in haar tijd, waar ze nooit mee samenvalt en waar ze ook niet aan kan ontsnappen.

De tijd – die probeert Schröder in al zijn boeken naar zijn hand te zetten: door hem stil te laten staan of juist als een gek op hol te doen slaan. Het best slaagt hij daarin als hij het over A*** heeft, waar Ernst na een afwezigheid van ruim dertig jaar in 1996 terugkeert. In A*** herkennen we gemakkelijk Groningen, de geboortestreek van Schröder, die in Haren ter wereld kwam. In 2009 wijdde hij de novellenbundel Wenst aan een fictief dorp in Groningen waar de jaren vijftig nooit voorbij gingen. Alle personages wensen maar één ding: weg uit dat dorp, die tijd, dit plotloze leven. Er is er uiteindelijk maar één die daar in slaagt: een jongetje dat zich laat kidnappen door een man met een hakenkruis. In De dode arm gaat Ernst dit jongetje achterna, de wereld in om de man met een hakenkruis terug te vinden.

Aan het begin van zijn roman introduceert Schröder talrijke personages wier levens in de tweede helft, lopend van eind jaren tachtig tot 2006, stuk voor stuk een uitgewerkte plot krijgen. Niet alleen Ernsts afkomst wordt ontrafeld als in een naturalistische roman, ook de verhoudingen binnen de foute familie van Ernsts moeder die in A*** onder aanvoering van een corrupte VVD-politicus de lakens uitdeelt, levert prachtig drama op. Vanaf dat moment leest De dode arm als een roman van Couperus: je kunt er niet mee ophouden voordat alle puzzelstukjes passen en je precies weet welke kinderen van welke ouders zijn en wie wie chanteert met duistere zaakjes uit een bruin verleden.

In dat stadium stoort het allang niet meer dat Schröder, net als Mulisch, de neiging heeft alles te mythologiseren en zijn vervoerende stijl te ontsieren met opzichtige literaire verwijzingen. In het A*** van eind 20ste eeuw heeft Mephistofeles de gedaante aangenomen van Klingsor die een volgend Elfkind als icoon van een nieuwe tijd valse idealen laat najagen. De ideeën zijn veranderd: hang naar vrijheid is jacht op geld geworden. En seksuele bevrijding brengt geen bastaards meer voort maar dood en verderf in de vorm van aids.

Zo staat de wereld er voor als Ernst zestig is. Hij vindt het allemaal best. Zijn Sturm und Drang-periode is voorbij nu hij begrepen heeft dat een Vatersuche achterhaald is als niemand zich meer beschouwt als deel van een familie. We zijn geen godenzonen of elfenkinderen, geen mythische figuren, maar doodgewone stervelingen die niet forever young blijven. Ernst accepteert dat en heeft daarmee gewonnen van de kwade tijdgeest.

Ook al behandelt De dode arm de tweede helft van de twintigste eeuw, in zekere zin mag het boek toch tijdloos heten, omdat de tijd hier wordt verbeeld door één van de beste schrijvers van de generatie die er de hoofdrol in vervult. Dit meesterstuk in het oeuvre van Allard Schröder doet denken aan Oek de Jongs Pier en oceaan: dezelfde episode en vergelijkbare mythen, maar volstrekt tegengesteld qua stijl en uitvoering. Beide romans zijn monumenten van een gestolde tijd waarin je eindeloos kunt ronddwalen op zoek naar… ja , naar wat eigenlijk? Ik vermoed: naar ons eigen beeld in het water van een dode arm of een woeste oceaan waarin alles vervormt tot fictie.