Kafka kon het lonken niet laten

Heeft de ‘meisjesgek’ Kafka ook mannen? begeerd? Waarom ging de agnostische schrijver Hebreeuws leren? Een prikkelende monografie en een fotoboek.

Waarom heeft Saul Friedländer, de grote historicus, zich aan een studie over Franz Kafka gewaagd? Allereerst vanwege de biografische overeenkomsten. Friedländer (1932) is net als Kafka afkomstig uit een Duitstalige Joodse familie in Praag, zijn vader was – net als de schrijver – jurist bij een verzekeringsmaatschappij. En nog belangrijker: het leven van zijn ouders eindigde net als dat van Kafka’s drie zussen in Duitse concentratiekampen.

Levenslang is Friedländer gefascineerd geweest door Kafka – wat op iedere bladzijde van zijn sprankelende studie is te merken. Al heel lang wilde hij over Kafka schrijven, maar pas na het voltooien van zijn tweedelige standaardwerk Das Dritte Reich und die Juden heeft hij zijn notities uitgewerkt.

Friedländer snijdt thema’s aan die in de uitgebreide Kafka-literatuur niet onbekend zijn: de rol binnen zijn familie en de verhouding tot het jodendom, zijn levensangst, ascese en gezondheidsfanatisme, de bewondering voor favoriete schrijvers en denkers als Dostojevski, Kierkegaard of Heinrich von Kleist.

Maar Friedländer behandelt ook thema’s die onderbelicht zijn gebleven, met name Kafka’s seksualiteit. Hij is van mening dat Kafka’s vermaarde schuld- en schaamtecomplex voor een belangrijk deel geworteld is in zijn seksuele geaardheid. Nog iets duidelijker: Kafka had homoseksuele fantasieën, en misschien ook pedofiele neigingen. Dat is nieuw binnen de Kafka-literatuur, al hebben sommige vorsers er al eerder op gezinspeeld en heeft literatuurwetenschapper Mark Anderson er in 1996 zelfs een (omstreden) studie aan gewijd.

Meteen in de inleiding schrijft Friedländer dat ‘de problemen die Kafka tijdens het grootste deel van zijn leven pijnigden – afgezien van zijn constante gepieker over het schrijven, de kwintessens van zijn bestaan – van seksuele aard waren.’ Later heeft hij het onomwonden over Kafka’s ‘homoerotische Seite’ en stelt hij dat de schrijver in zijn korte leven ‘erotische Empfindungen für eine Reihe männlicher Freunde’ ontwikkelde, zoals zijn klasgenoot Oskar Pollak of de jonge Hongaarse arts Robert Klopstock die Kafka in zijn laatste levensfase terzijde stond.

Om zijn beweringen te staven heeft Friedländer zorgvuldig de dagboeken, brieven en andere werken van Kafka nageplozen. In dat verband wijst hij er terecht op dat Max Brod als tekstbezorger het werk van zijn vriend soms censureerde en dubbelzinnige passages wegstreepte. In de decennialang gangbare Brod-editie van Kafka’s dagboeken staat bijvoorbeeld: ‘Twee mooie Zweedse jongens met lange benen.’ Maar het origineel gaat na ‘benen’ aldus verder: ‘die zo gevormd en gespannen zijn dat je er slechts met de tong goed over kunt strijken.’

Gekoketteer

Kafka’s werk bevat diverse fragmenten die men als gekoketteer of ‘begeren tussen mannen’ kan lezen; in de verhalen ‘Beschreibung eines Kampfes’ of ‘Die Brücke’ alsook in de romans Das Schloss en vooral Amerika, waar de jonge Karl Rossmann een ambigue rol speelt.

Maar Friedländer is bij zijn interpretaties vaak te speculatief – vooral als hij uitweidt over het surrealistische verhaal ‘Ein Landarzt’. En als hij suggereert dat Max Brod de briefwisseling tussen Kafka en bovengenoemde Oskar Pollak wellicht uit jaloezie heeft vernietigd, roept hij zelfs weerstand op. (Brod heeft altijd met stelligheid beweerd dat deze correspondentie tijdens WOII verloren is geraakt.)

Levenslang heeft Kafka een meer dan gemiddelde belangstelling voor vrouwen gehad, wat Friedländer natuurlijk niet is ontgaan. Met de mooie journaliste-vertaalster Milena Jesenská (waarschijnlijk zijn grootste passie), Felice Bauer, Grete Bloch, Dora Diamant en nog vele anderen onderhield hij hartstochtelijke betrekkingen. Kafka was een uitgesproken meisjesgek, hij kon het lonken gewoonweg niet laten – omgekeerd hadden ook de vrouwen schik in hem.

Ook bezocht hij graag bordelen, vooral als hij met Max Brod op vakantie was. ‘Ich ging an dem Bordell vorüber, wie an dem Haus einer Geliebten’, schrijft hij in 1909 uiterst plastisch in zijn dagboek. Hoe dit alles te rijmen valt met zijn homoseksualiteit, weet ook Friedländer niet precies, al rept hij iets van verdringing en noemt hij Kafka’s seksuele preferenties en fantasieën ‘recht polymorph’.

Dat Kafka een uitgesproken afkeer van geslachtsverkeer met zijn vriendinnen had en zelfs moeite met naakte lichamen, is inmiddels bekend. (In de bordelen was het blijkbaar anders.) De fijnzinnig-intellectuele Milena Jesenská heeft dit waarschijnlijk terecht als angstsymptoon geïnterpreteerd, al zou je ook van impotentie kunnen spreken. Kafka lijkt de uitleg van zijn vriendin te bevestigen als hij in de tijd dat hij met haar verkeert in zijn dagboek schrijft: ‘De coïtus als bestraffing van het geluk van het samenzijn. Zo ascetisch mogelijk leven, ascetischer dan een vrijgezel, dat is de enige mogelijkheid voor mij om het huwelijk te verdragen. Maar zij?’

Tegenover de vrijgevochten Milena was hij toch al opvallend openhartig. In 1920 schrijft hij in een brief aan haar de vaak geciteerde, programmatische woorden: ‘Vuil ben ik, Milena, eindeloos vuil, daarom maak ik ook zoveel ophef van de reinheid. Niemand zingt zo rein als zij die in de diepste hel zitten.’

Het overtuigendste hoofdstuk van Friedländers studie gaat over Kafka’s verhouding tot het Jodendom. In 1910 was zes procent van de Praagse bevolking (in totaal 440.000 inwoners) van Joodse afkomst; veelal betrof het een geassimileerde Duitstalige bovenlaag. Kafka was agnosticus en had aanvankelijk weinig belangstelling voor de Joodse religie. Anderzijds werd zijn gevoelsleven sterk bepaald door het Jodendom, en bijna zijn complete vriendenkring bestond uit Joden: Max Brod, Ernst Weiß, Oskar Pollak, Franz Werfel. Van zijn vriendinnen was alleen Milena niet-Joods.

Kentering

Rond 1911 trad er een kentering op naar aanleiding van een gastoptreden in Praag van een Jiddiesj theater uit Lemberg in Pools-Galicië, toen deel van Oostenrijk-Hongarije. De ongeremde, spontane Jüdischkeit, de Joodse folklore en authenticiteit van deze groep, maakte diepe indruk op de wortelloze Kafka, die zich in het vervolg steeds meer ging interesseren voor Joodse geschriften en zelfs Hebreeuws leerde. Ook kreeg hij belangstelling voor het zionisme, in Praag gepropageerd door Max Brod en Felix Weltsch. Toch is Kafka nooit een overtuigd zionist geweest, hoewel Max Brod altijd het tegendeel beweerde. Friedländer merkt terecht op: ‘Kafka’s verhouding tot het zionisme werd in het gunstigste geval gekenmerkt door gedistantieerde sympathie.’

Wie na het lezen van Friedländers compacte en prikkelende monografie nog niet genoeg heeft van Kafka, zij verwezen naar het geheel andersoortige en bijna ‘gezellige’ Ist das Kafka. 99 Fundstücke. In dit met schitterende foto’s gelardeerde boek heeft Kafka-biograaf Reiner Stach tientallen nauwelijks bekende splinters uit het leven van de schrijver verzameld. Wie wil weten volgens welke (Deense) methode Kafka elke dag naakt en voor het open raam gymnastiek bedreef, waarom hij ooit de handtekening van Thomas Mann vervalste, of hoe hij bijna een literaire prijs in de wacht sleepte, komt hier volledig aan zijn trekken.

Stach heeft in deze bundel – een groot verkoopsucces in Duitsland – heel wat curiositeiten op een onderhoudende manier gepresenteerd. Je kunt hier bijvoorbeeld lezen hoe Kafka en Max Brod bijna miljonairs werden, of hoe hij reageerde op fanpost. Maar je komt ook te weten dat Kafka hele spottende en ironische opdrachten in boeken kon schrijven, en dat jongere collega’s op kantoor hem graag om raad vroegen inzake relatieproblemen.

Twee schitterende boeken over het grote fenomeen Kafka, de souffleur van iedere moderne schrijver. Voor de lezer is er – om het met de fraaie woorden van componist Robert Schumann te zeggen – Glückes genug.