In de context van vis-cappuccino

Angela Merkel

Zelfs een interview dat uitloopt op de dood van de geïnterviewde kan lichtvoetig zijn en hartverwarmend. Dat bewijst het mooiste vraaggesprek in de bundel Lunch with the FT, een selectie uit de lunchgesprekken die The Financial Times sinds 1994 publiceert zijn weekendbijlage Life&Arts.

De Britse dichter Gavin Ewart (79) zat de journalist van de zakenkrant al op te wachten aan de bar van het befaamde Café Royal in Londen, met in zijn hand een roze drankje, een mix van gin en campari. De gemoedelijke conversatie die zich aan de lunch ontspint is niet alleen literair van aard, er wordt ook geroddeld, er worden herinneringen opgehaald, de dichter draagt enkele regels voor uit zijn werk als copywriter bij een reclamebureau – en dat alles begeleid door een rijk maal en vooral: het ene glas na het andere.

Nadat ze het restaurant uiteindelijk ‘in een matig rechte lijn’ hebben verlaten, zet de verslaggever de dichter op de bus naar huis. Hartelijk zwaait hij hem uit.

De volgende dag, blijkt uit het voorwoord bij de bundel, kreeg de krant een telefoontje van mevrouw Ewart. Haar man was vrolijker thuis gekomen dan ze hem in jaren had meegemaakt. ‘’En ten tweede, maar dat moet u zich niet aantrekken, is hij vanmorgen overleden.’ De kop boven het interview dat kort daarop verscheen luidde: The last toast for a poet.

Het kan een groot genoegen zijn om op zaterdag via de krant aan te schuiven bij een lunch met bijzondere tafelgenoten als David Hockney, Angelina Jolie, Saif Gaddafi, Angela Merkel, Paul Krugman, Václav Havel – of, zoals lezers van deze krant weten, Marit Törnqvist of Ard Schenk. Ook als het gesprek niet heel diep graaft, of zelfs stokt, kan het een fraai artikel opleveren met scherpe observaties over de geïnterviewde.

De bundel van de FT opent met een gesprek van hoofdredacteur Lionel Barber met de schrijver Martin Amis, ooit het enfant terrible van de Britse literatuur, inmiddels een ‘onontkoombare auteur, met mokerachtig proza als handelsmerk’. En met een wat stug karakter. Minutenlang zegt Amis niets, hij bestudeert slechts het menu, bestelt dan alleen voor zichzelf en verlaat vervolgens de restaurant om buiten te gaan roken.

Het gesprek komt later met behulp van Chardonnay en geroosterde kwartel toch van de grond. Het gaat over literaire vetes, mannenvriendschappen, Kafka, Kingsley Amis (de vader van de schrijver) en promiscuïteit in de jaren zeventig – ‘schunnig, maar niet harteloos’, aldus Amis, die er op dat moment een roman over schreef.

Tijd om van jongenspraat over te stappen op de politiek, noteert de journalist. De aanslagen van 9/11 komen voorbij (‘als het toch moest gebeuren, ben ik erg blij dat het tijdens mijn leven is gebeurd, want het is zo eindeloos opwindend en ongewoon’), de crisis van de islam (‘een crisis van mannelijkheid’) en opnieuw de vader. Alles bij elkaar een wat moeizaam gesprek, maar een mooi portret.

In een krant, zeker een weekendkrant, komen dit soort stukken goed tot hun recht. Door de combinatie van trivialiteiten, serieuze kwesties, persoonlijke eigenaardigheden en ontboezemingen is het lunchgesprek uitgegroeid tot een spannend genre. Het natuurlijke, meanderende karakter van de gesprekken zou misstaan in een zakelijker, politieker interview. Maar het werkt uitstekend in de context van vis-cappuccino (architect Zaha Hadid), springbok-carpaccio (de Zuid-Afrikaanse oud-president F.W. de Klerk) of junior ribs (Apple-medeoprichter Steve Wozniak).

Alleen met interviews is het net als met vis-cappuccino of springbok-carpaccio. Krijg je er te veel ineens van voorgezet, dan gaat het je tegenstaan. Consumeer de fraai geschreven lunchinterviews van de FT dan ook met mate. Bijvoorkeur in de krant, op papier of op een scherm. Eén per week is ruim voldoende.

In een bundel gaan de trucjes te veel opvallen waarmee journalisten zich redden als een gesprek eigenlijk niets heeft opgeleverd. De veelbelovende politica Angela Merkel laat in 2003 de zalm, worst en gerookte ham op haar bord onaangeroerd liggen, nipt slechts af en toe van haar jus d’orange en spreekt verder gortdroge zinnen uit over rechten en plichten in het algemeen en het belang van het bondgenootschap met Amerika. De verslaggeefster probeert het geheel wat op te peppen met zinnen over ‘Angela de rebel’ en haar ‘messcherpe, bijna on-Duitse stellingnames’, maar tot leven komt het niet.

Pijnlijk is het ontspannen gesprek uit 2004 met Saif Gaddafi, zoon van, en op dat moment student in Londen. In zijn eigen ‘boerderij’ in Libië, een luxueuze villa aan de snelweg tussen Tripoli en de luchthaven, vindt de lunch plaats voor de televisie, die op Al-Jazeera staat. Mild kritische vragen van de verslaggever over schendingen van de mensenrechten klinken obligaat, Gaddafi’s praatjes over hervormingen klinken hol, zeker met de kennis van nu. De lunch bestaat uit muntthee, karnemelk, divers fruit en vooral zoete, sappige dadels – ‘het maal van een arme man’, zegt Gaddafi schertsend. Na zo’n lunch ben je even toe aan een ommetje.