Het land voorbij de weg

Watari, Kumagata, Prefectuur Miyagi Foto’s uit besproken boek

Nog nooit van Fukushima gehoord, totdat het zich op 11 maart 2011 als verblijfplaats van lekkende atoomcentrales op de kaart zette. De aarde beefde die dag, de zee verhief zich, kolkte tien tot dertig meter over de kustlijn, verzwolg bijna 20.000 mensen en nam ook die kerncentrales onder handen. Werknemers die kort daarna hand- en spandiensten moesten verrichten bij die centrales, lieten alle hoop op een gezond leven varen. Ruim een jaar na dato leefden in gymnastiekzalen nog vele overlevenden van de beving en tsunami in de privacy van een forse, kartonnen doos. Kinderen vertonen nu al schildklierafwijkingen.

Terwijl geigertellers driftig de tijd wegtikken en de radioactiviteit in lucht, land en water van geen wijken wil weten, wil de wederopbouw van verwoeste gebieden nog niet echt van de grond komen.

De Duitse fotograaf Hans-Christian Schink (1961) trok een jaar geleden naar de zwaarst getroffen prefecturen. In zijn net verschenen boek Tohoku, de benaming van het noordoosten van het 1.300 kilometer lange Honshu – het grootste eiland van Japan, met steden als Hiroshima, Kyoto, Osaka en Kobe – brengt hij verslag uit op zestig kleuropnamen.

Er is hier niets aan de hand, vertellen de eerste foto’s. Als ik u zou wijsmaken dat u neerkeek op een antarctische vlakte zou u dat meteen geloven. Sneeuw en sneeuw, tegen een bleke hemel, die op alle foto’s melkwit blijft. Hier en daar drijft wat ijs. Alleen die bosrand aan de zijkant van de foto kan argwaan wekken – hè, Antartica? Sla je de pagina om dan maken surfers in rubber zich aan het strand alweer op om over de golven te zwieren.

Schink maakt met zijn camera eerst omtrekkende bewegingen, om de rafelranden van de kolossale ravage af te tasten. Hier een kustlijn met puntige steenklompen, waartussen alleen vissen kunnen manoeuvreren. En verderop, in totale verlatenheid, het met sneeuw toegedekte interieur van een shinto-heiligdom – zonder toegangspoort, zonder muren.

Blader je verder en verder, dan raak je in de verwoesting verzeild. Geknakte bomen, door midden gebroken huizen, een autobus op een woning, afgesloten kustwegen en gebieden met structuren die op de rudimenten lijken van duizenden jaren vergeten bewoning, net blootgelegd door onzichtbare archeologen.

Dat de wederopbouw nog niet wil vlotten, begrijp je nu beter. Er moest eerst geruimd worden: 160.000 verwoeste panden, de half-verwoeste niet meegerekend. Schinks vergezichten laten dus veel niemandslanden zien met als meetlat een kantoorkarkas. Vooral deze panorama’s symboliseren de stilte na de storm – zoals dat gaat met rampen, in de media en in de werkelijkheid.

Sommige foto’s zijn vertrouwd: stapelingen van woonhuizen als omgekieperde blokkendozen en fragmenten van betonnen viaducten die als flarden zeewier langs de vloedlijn zijn neergelegd. En dan is er die ene woning zonder beglazing, waarvan de eigenaar uitsluitend voor zijn boekenkast zandzakken heeft neergelegd – de literatuur moest blijven, de rest mocht wegdrijven.

Schink, die plaatsnamen vermeldt en verder niets, houdt een flinke afstand in stand tot de sporen van de ramp – door fysiek afstand te nemen, door kleuren af te vlakken, door weersomstandigheden te neutraliseren en door het ongetwijfeld hier en daar hervatte dagelijks leven volledig buiten het zichtveld te laten.

In een kort essay verklaart Rei Masuda (1968), fotografie-conservator van het National Museum of Modern Art in Tokio, de titel van het boek: Tohoku. Die gebiedsnaam gaat duizend jaar terug en betekent zoiets als ‘voorbij de weg’, ver voorbij de druk bewoonde wereld van Kyoto, toen de hoofdstad van Japan.

Masuda trekt ook parallellen met eerdere fotoprojecten van Schink, zoals zijn koele observaties van de nieuwe infrastructuur tussen voormalig Oost- en West-Duitsland. En hij vertelt hoe hij, net als Schink, pas veel later naar Tohoku, het land ‘voorbij de weg’, durfde te reizen, uit piëteit jegens getroffen familieleden, en uit angst ter plekke te ervaren dat er in de vriendschap met mensen een kink in de kabel was gekomen. Vandaar dat hij zich zo goed kon vinden in de net zo geduldige en behoedzame wijze waarop Schink te werk is gegaan.

Inderdaad, de fotograaf had veel meer tastbare verwoesting kunnen vastleggen en veel meer leed en ellende kunnen etaleren. Deze foto’s suggereren dat alles vooral, maar de catastrofe wordt er zichtbaar niet minder om.