Het 'ik' als een flakkerende kaarsvlam

Torgny Lindgren: Herinneringen. Vert. Lia van Strien. De Geus, 188 blz. € 19,95 ****

Een oudere schrijver leeft in de overtuiging dat zijn scheppende tijd voorbij is. Nog één keer vraagt zijn uitgever hem om een boek, een boek met herinneringen. ‘Maar’, antwoordt de schrijver, ‘ik heb geen herinneringen.’ De uitgever dringt aan met het argument dat memoires van schrijvers ‘gewild’ zijn. Ze doen de verkoopcijfers stijgen.

De schrijver is de Zweed Torgny Lindgren (1938), auteur van een vooraanstaand oeuvre met De weg van de slang en Het licht als hoogtepunten. De uitgever staat versteld: hoe kan een schrijver zonder herinneringen zijn? Sinds Proust is schrijven een synoniem voor herinneringen ophalen.

Lindgren blijft onverzettelijk. Om de uitgever te plezieren begint hij los-vast, her en der, at random op een snode manier zijn herinneringen te noteren. De toon heeft in het begin op briljante manier iets pesterigs, alsof hij een soort verrukkelijke anti-Proust wil schrijven.

Jeugdherinneringen over het ongenaakbaar harde leven in Midden-Zweden inspireren hem tot scherpzinnige beschouwingen over de werking van het geheugen. Zo verbaast de schrijver zich er telkens over dat hij weliswaar herinneringen bezit, maar die bestaan slechts uit losse flarden. Hij schrijft dat zijn ‘leven uit novellen bestaat, maar niet uit de roman die hij zich had gewenst.’

Geleidelijk verandert de toon van ironie in diepe ernst. Het draait niet langer om herinneringen, maar om contour, samenhang, om een levensverhaal dat de opbouw als van een roman heeft.

In Lindgrens visie vormen de romans die hij schreef al zijn autobiografie, zijn herinneringsboek, en heeft het geforceerd noteren van herinneringen misschien iets authentieks voor de lezer, in zijn ogen is het valsheid in geschrifte. Hij koestert diepe argwaan jegens begrippen als eerlijkheid en oprechtheid die in de literatuur zoveel opgeld doen. Niet om het niveau van de boeken op een hoger plan te tillen, maar omdat de lezer van nu het nu eenmaal wil.

Lindgrens non-conformisme werkt aanstekelijk. In een sprankelende synthese van herinnering, beschouwing en vileine terzijdes geeft hij aan het fenomeen ‘herinneren’ een ongeëvenaarde dimensie. Het ‘ik’ is poreus, stelt hij, ‘het is een nevel, een fluïdum, een onbekend gas, een flakkerende kaarsvlam in een beangstigende duisternis.’ Op elke bladzijde komt die worsteling tussen dat ongrijpbare ‘ik’ en het verlangen van de auteur datzelfde ‘ik’ te vangen prachtig tot zijn recht.

Aan het slot komt de uitgever het boek ophalen. De auteur erkent dat hij nog nooit met zo’n ‘triest gevoel’ een boek heeft geschreven. Hij heeft het idee dat hij de onbevangen opgewektheid van zijn jeugd is verloren. Met de voltooiing van dit boek ‘begint de ouderdom.’

Het is het intrieste, indrukwekkende slotakkoord van een boek dat vooral gaat over de pijn van het herinneren.