Een smoezelige verklikker

Ignacio Martínez de Pisón Foto uitgever

‘Voor ons was hij de Rat, gewoon de Rat, zei Mateo Moreno. Waar die bijnaam vandaan kwam, weet ik niet, maar hij was hem op het lijf geschreven’. Die zin legt de Spaanse schrijver Ignacio Martínez de Pisón op ongeveer één derde van zijn recentste, onlangs vertaalde roman De dag van morgen een Franquistische politieman in de mond. ‘Hij’, de Rat, is Justo Gil: politie-informant.

Het is midden jaren zestig. In Spanje krijgt het studentenverzet vorm en in Barcelona, waar de roman zich afspeelt, beginnen er voorzichtig nationalistische geluiden op te klinken. Het zal nog ruim een decennium duren voordat Franco in 1975 overlijdt.

In die sfeer gedijt Justo Gil, een wat schlemielig patsertje dat zich met zijn vlotte babbel en kameleontisch aanpassingsvermogen gemakkelijk weet in te likken bij een groepje studenten met vaag linkse ideeën. De roman beschrijft hoe hij in de jaren vijftig als jongeman van het straatarme platteland naar Barcelona trekt, vergeefs fortuin probeert te maken, politiemedewerker wordt en tijdens de democratische transitie uit arren moede betrokken raakt bij de milities van extreem-rechts.

De politie heeft hem dan niet meer nodig. Sommige studenten die hij ooit in het oog hield nemen nu belangrijke posten in. Zelfs het voortsudderend geweld van het snel marginaal wordende fascisme kan dat proces niet keren. Justo’s einde is even smoezelig als zijn leven was. Eigenlijk, denkt politieman Mateo Moreno, wachtte hij al sinds jaren op zijn dood.

Martínez de Pisón beschrijft het leven van Justo Gil via getuigenissen van de mensen die hij in zijn leven heeft gekend. Het boek leest als een lange reeks verklaringen, afgelegd tegenover een speurder of (zoals aan het eind zal blijken) een onderzoeksjournalist. De hoofdpersoon komt nooit zelf aan het woord. Zichtbaar wordt hij alleen in flitsen en momentopnamen, waardoor nooit uit de verf komt wie hij nu eigenlijk was. De vorm van het boek is zodoende naadloos toegesneden op het onderwerp. Want niemand kan ooit precies geweten hebben wat er in het hoofd van Justo Gil moet zijn omgegaan. Een verklikker laat zich alleen kennen als degene die hij voorgeeft te zijn.

Die gelukkige hand van de schrijver verraadt een doorgewinterd auteur. De dag van morgen is de tiende roman van Martínez de Pisón, en de derde die in het Nederlands is vertaald. Niet alle drie zijn even goed gelukt. Melktanden, een portret van een in Spanje neergestreken Italiaanse oud-strijder van Mussolini, dat vier jaar geleden verscheen, blijft het beste ongelezen.

Maar in De tijd van de vrouwen, vertaald in 2006, betoonde Martínez de Pisón zich al een indrukwekkende kroniekschrijver van de recente Spaanse geschiedenis. Het verhaal over drie zusters die afwisselend aan het woord komen en vanuit verschillende perspectieven Spanjes culturele, morele en politieke modernisering beschrijven, loopt in veel opzichten parallel aan De dag van morgen.

Daarmee schaart Martínez de Pisón zich in de lange rij van Spaanse schrijvers die nog altijd proberen te ontrafelen wat er in en na de Burgeroorlog precies met hun land gebeurd is. Opvallend in zijn romans is de grote opmerkingsgave ten aanzien van alledaagse dingen. Het zijn niet de grote ideologische veranderingen die het verhaal dragen, en zelfs niet in de eerste plaats de psychologische ontwikkelingen van de personages. Het zijn gebruiksvoorwerpen, interieurs, kapsels en vervoermiddelen. Zij tonen niet alleen de materiële vooruitgang van Spanje, maar getuigen ook van een nieuwe sfeer, een subtiel verschoven vanzelfsprekendheid, een toekomst die van tijd tot tijd van kleur verschiet.

Met zijn materiële manier van schrijven betoont Martínez de Pisón zich de ideale documentalist die hij óók is. Naast zijn tien romans, verhalenbundels en filmscenario’s schreef hij ook reportages en een boek over de in de Burgeroorlog spoorloos verdwenen schrijver José Robles Pasos, vriend en vertaler van de Amerikaanse schrijver John Dos Passos (1896-1970). Hoogstwaarschijnlijk werd hij vermoord door sovjetagenten binnen zijn eigen kamp, maar zelfs Dos Passos wist indertijd al niet te achterhalen wat er precies gebeurd was.

Die ongewisheid van de geschiedenis, die oplost in details zodra je haar dicht op de huid gaat zitten, laat zich bij Martínez de Pisón steeds opnieuw gelden. Politieke vergezichten vormen hoogstens het decor van zijn romans. In het materiële detail blijkt het dagelijks leven even verwarrend als banaal, en komt het vaak eerder op toevallige of persoonlijke dan op historische motieven aan.

Ook in De dag van morgen is het verleden overwegend grijs, zoals Chris van der Heijden dat heeft genoemd. Goed en kwaad bestaan wel, maar hoe dichter de camera inzoomt, des te moeilijker wordt het die tegenstelling te onderscheiden. Justo Gil mag dan het meest minne personage van het boek zijn, uiteindelijk draait zijn schlemieligheid juist hém haar grootste loer. Zo gaat het waarschijnlijk met het meeste kwaad in de geschiedenis. Het is op zijn venijnigst wanneer het zich onmerkbaar heeft genesteld in de dagelijkse sleur.