Een meisje dat alles kan vernietigen

Peter van Kraaij: Wat rest. De Bezige Bij Antwerpen, 191 blz. € 19,95

Het begin van Peter van Kraaijs Wat rest heeft wel iets van Jan Wolkers’ Turks fruit. De verteller, een Brusselse kunstenaar, sleept zich sinds een vrouw hem verliet in semivegetatieve toestand door de dagen. ‘Negen maanden zonder een spoor van wedergeboorte. Ik had alleen mezelf om voor te zorgen en dat was niet genoeg. Ik at slecht, sliep te weinig en verzon scènes uit B-films, die ik vervolgens op hun uitvoerbaarheid testte.’

Er moet uiteraard een vrouw aan te pas komen om de sputterende motor aan de praat te krijgen. Zijn oog valt op een onalledaags exemplaar. Wanneer hij haar voor het eerst in een fitnesszaal ziet, spreekt ‘uit alles wat ze doet een woede die de zaal vulde en van de spiegels kaatste’. Hij valt er als een blok voor: ‘Mijn eigen leegte sloot naadloos aan op haar razernij. Hier stond een meisje dat alles kon vernietigen, zichzelf in de eerste plaats.’

Ongebruikelijke woorden om de aantrekkingskracht van een vrouw te beschrijven, maar het is dan ook een ongebruikelijke liefdesgeschiedenis die in Wat rest wordt ontvouwd. De razende vrouw uit de gymzaal heet Lin en is een Rwandese die kort na de genocide van 1994 haar thuisland voor België heeft verruild. De scherpe karakterrand die ze onder deze omstandigheden heeft ontwikkeld, om het eufemistisch te zeggen, maakt haar voor de kunstenaar juist zo onweerstaanbaar. Hij benadert de geharnaste Lin met behoedzame stapjes en krijgt uiteindelijk via haar dochter toegang tot haar. Hij promoveert van kinderoppas tot oppas with benefits, tot blijkt dat het toch niet werkt tussen hem en Lin.

Het opmerkelijke aan Wat rest is dat Van Kraaij nooit méér van Lin maakt dan de schim die ze bij haar introductie is. Haar akelige verhaal wordt wel in aparte hoofdstukken verteld, maar het zorgt er niet voor dat ze binnen de vertelling een ‘gelijke’ van de kunstenaar wordt. Zo spreekt Lin bijvoorbeeld uitsluitend Frans. Is dit symbolisch bedoeld?

De toon van Wat rest wordt bepaald door de kunstenaar, en die is zwaar en particulier. Van Kraaij legt hem begaafde en begeesterde zinnen in de mond, maar die leunen vaak tegen het pathetische aan. Een afwisseling van stijl had Wat rest lichter verteerbaar gemaakt. Op de pagina’s vechten bonkige woorden als ‘hoogmoed’, ‘zelfvernietiging’ of ‘leegte’ om voorrang, en er is sprake van ‘onteigende lichamen’ en landen die ‘verbannen worden naar de uiterste regionen van het bewustzijn’. In een volgende roman mag Van Kraaij wat beter doseren.

De kunstenaar reflecteert voornamelijk op zijn eigen tekortkomingen. Over zijn passiviteit. Over dat hij al een volwassen kerel is, maar toch nog altijd een jongetje is gebleven. Of, en daarmee maakt hij het toch wel wat al te bont: wat contact met een zwaar getraumatiseerde vrouw met hém doet. Hij stelt zichzelf steeds dezelfde vraag, en zijn psychiater legt deze dan ook aan hem voor. ‘Zal ik worden bemind? En voor jou heeft die vraag maar twee mogelijke antwoorden: ja, en wel meteen of nee, nooit meer.’