Dwalen in een spinneweb

In 1988 toonde René Huigen zich in de bloemlezing Maximaal een dichter die het métier explosief wilde veranderen. Vijfentwintig jaar later is de geschiedenis van dat voornemen verrassend zichtbaar. Huigen bleef overeind als dichter, al publiceerde hij in 1994 een bundel Laatste gedichten.

Die bleek zeker niet zijn zwanenzang. Want daarna publiceerde hij nog Monument voor een verzonnen dichter (1999), Geen muziek & geen mysterie (2003), Steven! (2005) en Levenskunst voor jonge mensen (2011). In elk van die uitgaven is hij intensief op zoek naar de betekenis van de poëzie. Die zoektocht is filosofisch getint en hoogst intellectueel, zoals ook in Huigens thematische ontleningen.

In 1988 was allerminst voorspelbaar dat René Huigen zich als dichter op die manier zou gaan onderscheiden van zijn poëziecollega’s. Zoals zijn 17de-eeuwse Britse voorganger Milton jongleert hij met klassieke thema’s en versvormen, in een metafysisch decor. En al doende treedt hij, vier eeuwen later, buiten de poëtische orde.

Dat deed hij in Steven! en in Steven II doet hij dat weer. Opnieuw baseert hij zich op het gedicht ‘Tabacaria’ van Álvaro de Campos, een heteroniem van Fernando Pessoa. In de vertaling van August Willemsen heet dat ‘Sigarenwinkel’, en het is uit die vertaling dat Huigen citeert. Steven! concentreerde zich op de slotstrofen van het gedicht van De Campos, en Steven II doet dat nogmaals, maar daarin verschuift het accent van het personage ‘Steven zonder metafysica’ naar de lyrische ‘ik’, die de sigarenwinkel aan de overkant vanuit zijn raam heeft geobserveerd.

Die ‘ik’ is de dichter, en als zodanig openbaart hij zich als Stevens verwekker. Hij doet dat nadat hij Steven op zijn bovenverdieping heeft uitgenodigd. Het bewijs voor zijn vaderschap staat op een papiertje met de slotregels van ‘Tabakswinkel’. Steven twijfelt aan de waarde daarvan, en vanaf dat moment is niets meer zeker en is niemand meer wie hij is.

De koers van het verhaal dat volgt is die van een schipbreuk, en als reisgezelschap blijkt de vaderlijke ‘metafysische ingenieur’ een ‘dichter in poésie somnambulique’. De nadrukkelijke rol van Hypnos en die van de Lethe, de rivier van vergetelheid, lijken te bevestigen dat Stevens zwerftocht door tijd en universum weleens een droom zou kunnen zijn, of een slaapwandeling. Ten slotte vindt de held van Steven II zich dan ook ontwakend terug in het boudoir van zijn gastheer.

Een narratieve warboel, lijkt het, maar voor mij bereikt Huigen wel degelijk de ‘succesvolle deconstructie van het Zelf’ die zijn epos nastreeft. Kernregels daarin zijn de regels waarin Hypnos Steven op zijn plaats in het universum zet:

… Je noemt

Jezelf kunstenaar, scheurt foto’s uit glossy’s

En kranten waarmee je je hebt omringd,

En maakt er collages van, om voor de zuip

Aan voorbijgangers te verkopen. Je slaapt

Op een beschimmelde beddenzak, naast

De rotzooi die de mensen je vanuit

Hun huizen toewerpen. Een dakloze

Ben je, meer niet, zoals alle helden,

Met dat verschil dat jouw beproevingen

Zich in je hoofd afspelen, in plaats van

In de wereld die ontdekkingsreizigers

Voor jou verkenden.

Dit citaat toont hoe eigentijds René Huigen met de klassieke versvorm weet om te gaan. Vijfenzestig pagina’s lang vertelt hij zijn ‘verhaal’ in vijfvoetige jamben, vaak hyperkatalectisch (met een of twee extra lettergrepen). En net zoals in Steven! wordt een paar honderd regels lang de muze aangeroepen, eer Steven aan zijn zoektocht begint.

Bij zoveel archaïsch vertoon staat het valluik naar aanstellerij op een kier. Huigen trapt er één keer in. Op de vierde pagina van zijn heldenzang smeekt hij de muze van de dichtkunst: ‘Ontzet Steven alstublieft, zoals ‘‘de maagd”/ In gelijke situatie Durante / Te hulp schoot en uit de ketenen van / Zijn eeuwige schijngevecht bevrijdde.’ Dat is een literaire verwijzing die om een lexicon of om Google vraagt. Wie in hemelsnaam was Durante? Voor ons, poëtische jongens onder elkaar, is dat uiteraard geen probleem. Durante was de oorspronkelijke voornaam van Dante.

Maar één spinnetje is nog geen aanleiding tot arachnofobie – hoe veel overeenkomsten Steven II ook met een spinnenweb heeft. Vroeg of laat zal een letterenstudent zijn vingers aan het Stefanische duo willen branden. Zelf denk ik dat er dan nog heel wat citaten en verhulde verwijzingen in dit labyrint te ontdekken zijn.

‘De kunst,’ stelt Huigen, ‘is het om elke dag opnieuw / Het ongekende in het vertrouwde / Te aanschouwen.’ Dat is dan ook wat dichters doen: hetzelfde steeds anders zien en zeggen. Ze doen dat doorgaans in een minimale vorm, maar het kan ook in een epos van 1442 regels. Toon houden is dan een probleem, en lastiger nog is het knoopwerk van de verhaallijn. Bij Huigen blijft de toon constant en ontplooit de plot, of wat daarvoor doorgaat, zich tot een intrigerend web. De vragen die Steven zich daarin stelt, zijn Huigens eigen vragen, maar wellicht ook die van u en mij.