Durft gy wel zo liefdloos weezen?

Wat zag het publiek in de Amsterdamsche Schouwburg in de 17de en 18de eeuw?

In het voorbijgaan staat vrijwel niemand stil bij het poortje van Jacob van Campen aan de Amsterdamse Keizersgracht, waar nog steeds de letters ‘Schouburg’ oplichten samen met de gouden regels van Joost van den Vondel: ‘De weereld is een speel tooneel/ elck speelt zyn rol en kryght zyn deel’. Het poortje is al wat rest van de schouwburg die op de avond van maandag 11 mei 1772 door een onbeholpen bluspoging van een toneelknecht verdween in een vuurzee waarvan de gloed tot ver buiten de stadsgrenzen werd waargenomen. Achttien mensen, het merendeel toeschouwers, vonden de dood. Behalve de snippers van de tekstboekjes die tot op Texel neerdwarrelden was alles tot as vergaan.

Iedereen leed. Op twee bedrijfstakken na: de gereformeerde geestelijkheid en het boekenvak. De schouwburg, geopend op 3 januari 1638 met Vondels ‘Gysbreght van Aemstel’ en bij de verbouwing van 1664-65 uitgebreid, bracht geld in de kas van de Amsterdamse liefdadigheid. Alleen op die manier wilden de dominees het goddeloze gebouw gedogen, maar de ramp bewees hun gelijk.

In de weken erna volgden vele vlugschriften over de gesel Gods. Met haar felle ‘Zedenzang aan de Menschenliefde’ heeft schrijfster Betje Wolff hen van de mooiste repliek gediend: ‘Gy, booze dweepers!... maar ik schrik van uwe taal!/ Ontaarde menschen! – durft gy wel zo liefdloos weezen?/ Schijnheiligen! hebt gy dan harten, hard als staal?/ Kunt ge, in dit droevig lot, Gods wraak en toorne leezen?’

De dominees hadden al vóór de opening van de schouwburg in hun donderpreken gefulmineerd tegen het bederf der zeden die de podiumkunsten aankleven, en ze bleven alert. Ze hadden geen ongelijk. Direct in het eerste seizoen werden de gordijntjes van de loges verwijderd vanwege de onwelvoeglijkheden die zich erachter afspeelden. Aanplakbiljetten gelastten de toeschouwers zich te gedragen. Het was verboden te roken, baldadigheden aan te richten, te ‘Schreeuwen, Fluyten, Rasen of Schelden’ en om ‘Nooten Doppen of andere Vuyligheden op den Aanschouwer te werpen’. Boetes en uitgeleiding zouden anders volgen. Wangedrag kwam niet alleen van de goedkope rangen. Vanuit de loges klonk vaak luidkeels commentaar op het spel. Ook dat genoegen was in één laaiende avond voorbij.

Heimwee naar hun bezoeken aan de rijk aangeklede voorstellingen op de Keizersgracht maakte de haute volée vatbaar voor de gekleurde prenten die de ensceneringen in alle pracht toonden. Uitgevers haastten zich de reeksen te voltooien waarmee ze al voor de ramp waren begonnen. Sentiment verkocht, ook toen.

Tot in de piepkleinste details zijn deze 18de-eeuwse decorprenten nu gedetermineerd, als de weelderige flora van een verdwenen biotoop. Maar hoe betrouwbaar zijn deze prenten, waarvan ook internationaal de artistieke en documentaire waarde vaststond. Bieden ze werkelijk zicht op de uitvoeringspraktijk in de Amsterdamsche Schouwburg?

In De Schouwburg in beeld. Amsterdamse toneelscènes 1665-1772 onthult alles, tot en met de linkertepel die – als voorgangster van die van Janet Jackson bij de Super Bowl in 2004 – modieus uitpiept boven de halsuitsnede van Izabel in de sleutelscène uit ‘De zwetser’.

In het decor van ‘De Behangen Kamer’ wordt zojuist de opschepperige ‘mof’ Hans Zwetser als bedrieger ontmaskerd door de slimme knecht Krispijn in travestie die zich bedient van een razendsnelle kostuumwisseling. De populaire klucht van Pieter Langendijk uit 1712 noemt nog gobelins, maar inmiddels was, ruim dertig jaar later, het stevig bebloemde behang in zwang gekomen bij de gegoede Amsterdamse burgerij.

Waarschijnlijk ging het in het door Cornelis Troost geschilderde decor om echt behang. Graveur Jan Punt, tevens gevierd acteur en inwonend kastelein van de schouwburg, bracht dit vervolgens levensecht op prent over. Ook Reinier Vinkeles en andere prentkunstenaars hielden zich daaraan, compleet met de schaduwen die de smeerkokers wierpen.

Het verschil tussen ‘echte’ of geschilderde zetstukken valt niet waar te nemen. De zeven coulissen aan weerszijden en de friezen boven het toneel zijn zelden te onderscheiden. De (toneel)illusie blijft intact, maar bronnen uit die tijd bieden vaak uitkomst voor de ontrafeling.

De prenten tonen telkens een sleutelscène uit een publiekstrekkend treur- of blijspel van ondermeer Vondel, David Lingelbach of bewerkingen van Franse stukken, in een standaarddecor. Het frequent wisselende repertoire in de 17de en 18de eeuw kon niet zonder De Aloude Hofzaal, De Gestoffeerde Kamer, De Gemeene Buurt, Het Bosch, De Hel en andere straten en vertrekken. Voor een nieuw stuk werd gekozen uit en gecombineerd met deze vaste coulissendecors van schilders als Troost, Gerard de Lairesse, Jacob Vennekool. Pas later in de Romantiek kregen toneelstukken, opera’s en balletten hun eigen aankleding.

Vrijwel elke prent heeft dezelfde uitsnede: ruim zicht vanuit de zaal naar de toneelopening. Aan de onderrand staan (dezelfde) toeschouwers wat wanordelijk in de eerste drie van de twaalf rijen banken. Niet iedereen kijkt naar het podium. Men is in gesprek, schuift naar zijn plaats of koopt zojuist iets van het sinaasappelmeisje – de kastelein verkocht bier en orange-appelen tussen de bedrijven.

Vermoedelijk zouden wij de voorstellingen vreselijk belegen vinden, maar juist de zoektocht naar de finesses brengt het toneelbedrijf op de Keizersgracht wat tot leven. Het tweedimensionale vlak krijgt diepte, zoals de theatermakers van de schilders verlangden, en de afnemers van de prentkunstenaars. Voortaan is het onmogelijk het poortje te passeren zonder even te denken aan de minnaar in de mand, de zingende hond Kastraat, het sinaasappelmeisje, of Apollo in zijn neerdalende Wolk: een fraai toneeleffect, al hinderde het gekraak en gepiep van de touwen over de katrollen.

En dan was er het kostbare decor van ‘De Hel’ met zijn monsterlijke gedrochten. Schouwburgdirecteur Jan de Marre trakteerde het uitgelezen publiek van het Eeuwfeest in 1738 pardoes op De Hel voor zijn gewiekste aanval op de tegenstanders van het toneel. Zo maakte hij de BN’rs medeplichtig aan zijn opzet ‘den Onkundigen de oogen geöpend, en den Laster de mond gestopt moogen werden’.

Tegen het einde van het boek verschijnen angstaanjagende prenten uit 1772: likkende vlammen, verstijfde acteurs, uiteenstuivende toeschouwers (de zaaldeuren openden naar binnen) en op de Keizers- en Prinsengracht helverlichte, verbijsterde ramptoeristen en weerloze brandspuiten onder de hemelhoge vuurzee. De behoefte aan sensatie werd vindingrijk bevredigd: op zijde gedrukte exemplaren kregen speldenprikkleine gaten met gele en rode stof erachter gespannen zodat men thuis bij kaarslicht de ramp nog eens levensecht kon aanschouwen.

Achter het poortje met Vondels spreuk verrees in 1773 het Armenkantoor.