Dis troost Bies

‘Hè getsie’, zegt de functionaris, gespeeld door Herman Koch. Hij heeft net gehoord dat de door een writer’s block geplaagde schrijfster van plan is ‘een requiem voor haar vader’ te maken. Het fragment moet zeker tien jaar oud zijn, want dode vaders en andere voorouders lijken inmiddels het hoofdonderwerp voor Nederlandse schrijvers te zijn geworden, althans voor de pornografisch minder begunstigden onder hen.

Het Jiskefet-fragment over de schrijfster en haar writer’s block werd getoond in de NTR Boekenquiz, één van de tientallen boekendingen op tv deze week. De Boekenweek is de week van carnavaleske omdraaiing. Geen literatuurfan heeft nog tijd om te lezen door alle belangrijke uitzendingen: Benali, Bie, Brands, Claus, Dis, Durlacher, Koot, Mortier, Noordervliet, Ross, Wieringa, Wigman, Winter. Intussen grijpen echte televisieliefhebbers, murw gebeukt door al dat literaire gedoe in beeld, van lieverlee een roman.

Zij misten het prachtige zinnetje van Adriaan van Dis tegen Maarten Biesheuvel bij het voorlezen van zijn ‘Brief aan vader’. (Ja, wéér een vader). Biesheuvels stem brak bij de regels: ‘Vader, ik voel me schuldig omdat ik geen plezier heb.’ Van Dis, die al voorovergebogen zat, zei zachtjes: ‘Lieve jongen, je hoeft er niet om te huilen. Het is prachtig.’

De troostzin verbond twee hoofdzaken met elkaar: de literaire kracht van Biesheuvel en zijn persoonlijke verval. Het leverde een moment van intimiteit op – of de illusie van intimiteit, dat is ongeveer hetzelfde – die literaire televisie de moeite waard kan maken. En die vaak gemist wordt, zoals in de bijzonder aanhankelijke documentaire die Canvas uitzond over de vijf jaar geleden gestorven Hugo Claus.

Claus kwam nog even aan de orde in het Buitenhof-interview met de bij De Bezige Bij Antwerpen kennelijk alweer overbodige Robbert Ammerlaan. Die heeft door zijn vertrek tijd om te schrijven. Zijn grote Bernhardboek hangt in het luchtledige van de koninklijke goedkeuring, maar Ammerlaan denkt nu aan een biografie over Harry Mulisch. Die heeft het hem ‘tot twee maal toe’ gevraagd. Mulisch was inderdaad de Prins Bernhard van de Nederlandse literatuur. Ik zat me al te verheugen op een doorwrochte Mulischbio toen ik de uitgever hoorde mompelen dat het boek ook zou gaan over Ammerlaans relatie tot Mulisch. Over hemzelf dus? Herman Koch zou zeggen: ‘Getsie!’